Verhalen

San Remo, Sporten is gezond

Het is een goede gewoonte van me dat ik minstens één maar liefst twee keer per week met mezelf ga lopen. ‘Joggen’ heet dat in het jargon, geloof ik. Tot voor kort vertrok ik meestal pas na achten en baande me in het winterse duister een weg langs de stadse rivierdijk, via enkele woonstraten om tenslotte langs een of ander studentendijkje weer thuis te komen. Bij toeval vertrok ik een zaterdag reeds om 4 uur in de namiddag, omdat ik die avond nog een afspraak had. Aan de overkant van de drukke doorgangsweg die ik, gelukkig maar heel even, volgde, hoorde ik plots mijn naam roepen: het bleek een jongen van mijn school die driftig stond te zwaaien. Ik zwaaide plichtsgetrouw terug en vroeg me ineens af of het dàt was waarom sommige joggers midden op de dag in het straatbeeld verschenen: om indruk te maken op of contact te krijgen met vrouwen c.q. mannen c.q. (in mijn eenzame geval) jongetjes?

Later dokterde ik een andere route uit. Iets langer (maar door mijn regelmatig volgehouden training leverde dat geen problemen op) en in een veel rustiger omkadering. Ik bedwong het korte stukje doorgangsweg en een druk kruispunt, om me dan langs de slechts door een sporadische wandelaar of fietser bevolkte rivierdijk te begeven, onder een brug door, via een fietspad de rivier over en langs de andere kant weer de richting van de stad uit. Ik zag er een keer twee jongens (onder meer een niet onaantrekkelijke sproetenkop) fietsen en vroeg me af waar ze heen zouden gaan, maar bleef in gedachten verzonken verder huppelen.

Vorige week verliep het enigszins anders. Het was een behoorlijk warme lentedag, maar dat weerhield me niet van mijn portie beweging. Ik jogde de gewone weg, onder de snelwegbrug door, over het fietspad en keerde terug. Al van vrij ver zag ik, hoe twee onvolwassen, in het zwart geklede figuurtjes over de dijk struinden. Ik hoopte natuurlijk dat het twee leuke jongetjes zouden zijn en nam me voor hen minstens van een glimlach en een groet te voorzien. Tijdens het naderen ontdekte ik dat ze bij een soort van sluis stonden, zo'n poort die een buis onder de dijk (een 'duiker' heet dat, geloof ik) afsluit. Het bleken twee jongetjes van een jaar of acht: een Marokkaantje met een heel leuk wipneusje en twee parelzwarte ogen die schitterden onder een kortgeknipte haardos en een roodharig ventje met een overdosis aan sproetjes rond z’n neus. Een wildebras, tenminste, als zijn karakter overeenstemde met z’n haarstijl. Gewoon vergeten te kammen kon natuurlijk ook. Ze leken recht uit de hemel aan me aangeboden te worden. Jammer dat hun kleding niet aan het weer was aangepast: ze droegen allebei een zwart trainingspak met lange broek en lange mouwen.

Wat bleek? Een openingszin had ik niet nodig, want het Marokkaantje, dat duidelijker assertiever was dan z’n vriendje, sprak mij aan. Werd ik me daar zowaar benaderd door twee volwassenenlokkers!!! Twee, want Roodhaar knikte instemmend en keek me even nieuwsgierig aan als zijn maatje toen die me, gezeten op de betonnen blok van waaruit de poort bestuurd kon worden, vroeg: “Meneer, weet u waar dit ding voor dient?”

Het was de opvoeder in me die toen eventjes uit zijn winterslaap ontwaakte en het van de jogger overnam. Haarfijn en in zo eenvoudig mogelijke bewoordingen –bewoordingen die naar mijn gevoel geschikt waren voor achtjarigen- legde ik het hen uit, toonde hen aan twee kanten van de dijk de buis en wees waar het vijvertje of riviertje zich ongeveer moest bevinden. Ik was niet van plan onmiddellijk na mijn uitleg weer door te lopen en besloot wat te stretchen. De jongens begrepen het, al dan niet bewust, en maakten het me makkelijk door een spervuur van vragen aan te leggen: of ik van ver kwam? Of de rivier nog ver doorliep? Of ik ook dat lawaai van moto’s gehoord had? Als de ene even uitgepraat was, nam de ander vlot over. Het leek wel alsof ze zich voor de eerste keer serieus genomen voelden door een volwassene. In dat geval had ik reden hen in stilte te beklagen. Op zeker ogenblik trok het rosse ventje zijn broekspijp op en toonde met onverholen trots een opgedroogde wonde op zijn knie. Er hoorde een stoer verhaal over skaten, vallen (en opstaan) bij. Daarop onthulde het Marokkaanse knulletje dat hij ook een litteken had, waarna hij zijn t-shirt optrok en zijn erg mooie buikje en bastje eveneens onthulde. Nadat ik van de eerste bewondering bekomen was, zag ik dat er over zijn mooie, bruine buik een slecht genezen, bleke streep van wild vlees ten zuidwesten van zijn nog uitstulpende navel liep. Het bleek een spoor te zijn van een wonde, tijdens het spelen opgelopen doordat hij uit een boomhut gevallen was en zijn buik half had opengehaald aan een spijker. Gelukkig had hij er verder geen last meer van gehad –hij was op de spoedafdeling door vaardige handen weer opgelapt- en het stoorde hem niet dat ik met mijn vinger even langs het litteken streelde. Ondertussen gingen ze gewoon verder met hun zalige koetjes-en-kalfjesgebabbel.

“Zeg, meneertje...” begon het Marokkaantje.
Hier moest ik toch even ingrijpen.
“Ik heet niet ‘meneertje’”.
“Hoe heet je dan?” Blij constateerde ik dat het ge-‘u’ was weggevallen.
“Ik heet Geert. En jij?”
“Ik ben Aideed en dat is Steven.” Roodharige Steven knikte bevestigend. Zijn sproetjes knikten mee.
“En hoe oud zijn jullie?” vroeg ik dapper.
“We worden bijna acht.”
“En ik weet toch een riviertje daar beneden. Waar die buis uitkomt, denk ik.” Steven had blijkbaar besloten zich meer actief met de gang van zaken te bemoeien. We wandelden naast de buis het bos in en kwamen bij een onfrisse gracht met een wankel, houten bruggetje erover. Ik ging op mijn hurken tussen Steven en Aideed zitten en laatstgenoemde legde zonder aarzelen zijn elleboog op mijn schouder, waarop hij me verraste: “Spijtig dat het water zo vuil is. Anders konden we hier in onze onderbroek komen zwemmen.” De gedachte sprak me wel aan, en ik verzweeg maar dat ze dat wat mij betrof ook naakt mochten.

“Ik heb een idee.” klonk het plots aan mijn andere oor. Ik keek op naar Stevens twinkelende ogen. Sommige kinderen kunnen enkel van geheimen genieten als ze ze mogen delen met Jan en Alleman en Steven leek zo’n kind. “Kom…” fluisterde hij samenzweerderig.

Even later vorderden we snel door het bosje, op weg naar een geheime plek. Steven, plots in de rol van ervaren gids, voorop, onmiddellijk gevolgd door zijn vriendje. Ik mocht de rij sluiten, als veilige buffer voor de wereld achter ons. Het verwonderde me dat de jongens deden alsof ze me al jaren kenden, want ik kon me amper voorstellen dat ze niet verwittigd waren om ‘niet zomaar met vreemde meneren mee te gaan’. Er was hen vast niets gezegd over vreemde meneren die met hen meegaan.

Het paadje dat Steven zo goed kende leidde ons recht naar de spoorweg. Daar keken we eerst zeer aandachtig in beide richtingen om vast te stellen dat er geen trein in aantocht was. Ik legde uit dat je dat ook kon zien aan de verkeerslichten langs de spoorlijn, die beiden op rood stonden. Tot groot jolijt van mijn twee aangewaaide ‘vriendjes voor een ogenblik’ legde ik mijn oor op de rail, al wist ik niet goed wat ik behoorde te horen. De spoorweg dook onder de snelweg en snel maar voorzichtig slopen we de tunnel in. Plots baadden we in een afgeschermde driehoek van licht na de donkerte, geprangd tussen oprit, afrit en spoorweg. Het was wel duidelijk dat hier zelden mensen kwamen: er was geen spoortje van vervuiling te zien. De begroeiing bestond uit wat hoge struiken en lage bomen die het een ideaal speelterrein voor jonge, fantasierijke avonturiers maakten en het was er drukkend stil, op het gezoem van auto’s na (en zelfs dat klonk onwezenlijk ver weg). Steven kwam hier duidelijk niet voor de eerste keer, want hij leidde ons met zekere tred langs een nauwelijks zichtbaar paadje. Voor Aideed was het allemaal nieuw. Die ene keer dat ik hem vragend aankeek, haalde hij zijn schouders op ten teken dat het voor hem even verrassend was als voor mij. Zijn ogen verraadden echter dat plezier de bovenhand had. Dat er op deze manier nog weinig van het gezonde effect van mijn training overbleef, kon me niet deren: ik stortte me in een volledig nieuw avontuur en mijn medeavonturiers stonden me erg aan.

Plots weken de laatste struiken uiteen en terwijl ik Aideed een welgemeend “Waaaw!” hoorde uitstoten, voelde ik net hetzelfde. Voor ons lag, blinkend in de lentezon, een donker vijvertje van een zakdoek groot, met een diameter van hooguit vijftien meter.
“Hier kunnen we zwemmen!” sprak Steven, glimmend van trots.
“Wow, Steven, hoe… vanwaar ken je dit?” hakkelde Aideed.
“Wim heeft het me getoond.” Hij dacht even na.
“Toen wij (hierbij keek hij naar Aideed) nog niet geboren waren en jij (nu keek hij naar mij) zo klein was als wij nu, was hier nog geen autostrade.” Lijk ik dan al zo oud? dacht ik nog, maar Steven taterde voort als een volleerde reisleider: “Toen was dit een plaats waar de kinderen uit de buurt veel kwamen zwemmen.” Dan, schuchter en betekenisvol over zijn ware aard: “Dat vertelt Wim toch.”

Ik had er het raden naar wie Wim was, maar Aideed had het einde van de uitleg niet afgewacht, trok zijn trui en t-shirt over zijn hoofd, wipte met zijn tenen zijn schoenen uit, trok zijn broek uit en stond twee tellen later, in niets dan zijn mooie, tot volle schoonheid komende lichaampje en een bordeaux slipje aan de rand van het vijvertje. Niet veel later volgde Steven zijn voorbeeld. Bij mijn roodharige, erg magere gidsje merkte ik een bruine streep achteraan in zijn slecht gewassen, vuilgrijze onderbroek. Ze zijn zo puur, meneer.

De knulletjes plensden in het water en de verwachte vraag kwam al snel: “Komaan, Geert, kom er mee in.” Ik besloot dat ik niet bij hen kon achter blijven en even later spartelden drie halfbloteriken door het zelden gebruikte poeltje. Het water was verrassend aangenaam en mijn laatste restje argwaan werd weggewassen. Hier was niks mis mee, zelfs al zouden we gezien worden. De reserve die Aideed en Steven in het begin nog voor me leken te voelen, was nu geheel verdwenen. Het kon hen niet deren dat ik hen tijdens het stoeien af en toe onder hun billen stevig vastpakte en bij momenten drukten ze zich zo stevig tegen me aan dat ik me afvroeg of ze me nog ooit zouden loslaten. Tijdens zo’n knuffelmoment kuste ik ze beiden op hun kruintje, hetgeen ze beantwoordden met instemmend kattengespin. Ik streelde hun rug, liet mijn handen even op hun fijne billetjes rusten, kneedde hun nek. Op de duur waren we meer aan het knuffelen dan aan het spelen en de jongens vonden het prima. Achteraf bekeken voelde ik toen niet eens iets dat van ver op begeerte leek.Tijdens een rustpauze zat ik in het ondiepe gedeelte van het water met Steven op mijn schoot tegen me aan gezakt en Aideed leunde voluit tegen mijn rug. Ik meende bij hem een overtuigde erectie te voelen, maar het stoorde me niet en wond me ook niet op. De jongen zelf leek het normaal te vinden.

“Ik vind je ècht lief.” zuchtte Steven. Zou hij dan al weten dat er ook vals lief bestaat?
“Ik ook.” ronkte Aideed.
Ik haalde even adem en fluisterde: “Ik jullie ook…” Aideeds zoentje op mijn wang en Stevens kusje op mijn neus vormden de beloning voor deze gedurfde woorden.
“Ik wil altijd bij jou blijven.” smoezelde het Marokkaantje in mijn haar.
“Ik ook.” neuzelde mijn vuurtorentje tegen mijn borst. In mijn hart sloot zich een deur om te voorkomen dat ik deze uitspraken te ernstig zou nemen en erdoor geraakt zou kunnen worden.

Tenslotte zochten we de graskant op om ons te laten drogen. Ik ging op mijn rug liggen en als vanzelfsprekend kropen de jongens, elk langs een kant, zo dicht mogelijk tegen me aan. Ik sloeg om elk van mijn schatjes een arm heen en vroeg me af of ik het ooit aan mezelf zou kunnen vergeven als ik één van hen ook maar met de minste seksuele daad zou durven schenden… Aideed durfde het aan zijn gezicht even tegen mijn borst te drukken en zijn lipjes te tuiten in een soort van halfslachtige, niet echt doorgedreven zoen. Steven knorde gewoon heerlijk tegen me aan terwijl ik beiden liefdevol over hun rug streelde. Het viel me nu weer op hoe mager Steven was en ik voelde, met bijna fysieke pijn, hoe verwaarlozing van dit kind resulteerde in een erg broos en tenger lijfje. De jongens werden stiller en hun ademhaling regelmatiger. Mijn horloge leerde me dat het vijf uur was en de knaapjes sliepen en droomden –hopelijk- zoete dromen. Ik bedacht me dat het nog jaren zou duren eer ik iets meer dan vriendschap en liefde voor die engeltjes zou kunnen voelen. Aan hun schouderblaadjes voelde ik geen begin van vleugeltjes.

Zachtjes wurmde ik me los, legde de jongens vlak bij elkaar, stond op een kleedde me aan. Een intens gevoel van liefde bekroop me toen ik zag hoe de twee in hun slaap, op zoek naar warmte, zich innig verstrengelden. Ik zoende ze beiden nog op hun oor en, zeer gedurfd en uiterst illegaal, beroerde met mijn lippen het stukje bil dat net onder het slipje komt piepen naar zonlicht. Ik sloot de deur in mijn hart stevig, spoedde me naar de weg en jogde voor de vorm verder naar huis.
Misschien zie ik ze ooit weer, dacht ik nog.

...gisteren...

Twee weken later wandelde ik nog eens door de stad. Het was een drukke marktdag en er waren al een paar leuke jongetjes in mijn blikveld opgedoken. Zonde toch dat die steeds vergezeld zijn van hun alziende en overbeschermende (groot)ouder(s).

Een kleine rilling trok door me heen toen ik een stereotiep ‘laaggeschoold’ koppel zag: een blonde, langharige vrouw met overbodige make-up en oorbellen die haar oorlellen tot ongekende lengte rekten. Een roodharige man met een stevige knevel, een rood aangelopen gezicht, een oorknopje en een uitgebreide voorraad tatoeages op de armen. Hij droeg een mouwloze jeansvest en leek me iemand die ik liever niet als vijand had.

Maar het waren niet de ouders die me een rilling bezorgden, het waren de kinderen: niet het meisje van hooguit drie, blond, kleutervet, een snottebel en een Pokémon-t-shirt, wel het jongetje: roodharig, ros, mager. Ik knipperde twee keer met m’n ogen en herkende Steven. De fut leek uit hem weg, zijn ogen stonden op ‘ver weg met de dromen’. Het deed me pijn te zien hoe hij blijkbaar functioneerde (of net niet) in dit gezin. Nochtans gaf niets in het gedrag van de ouders aanleiding tot zulke veronderstellingen, maar het was de sfeer die een gevoel opriep.

Ik wist niet goed of ik me moest verbergen of net niet. Het gezin kwam uit de andere richting en we zouden elkaar over enkele seconden kruisen. Hoe zou Steven reageren? Zou hij me nog wel herkennen? Zou hij me groeten? Misschien in mijn armen springen? Zou hij vertellen aan zijn ouders wie ik ben? Zou zijn vader vervolgens op mijn gezicht slaan? Het gezin passeerde en Steven had me niet eens gezien. Ik huilde vanbinnen.

Een innerlijke stem vroeg me om te kijken. Steven had zich omgedraaid en was blijven staan, handen nonchalant in de zakken. De zon brak door op zijn gezicht en vertaalde zich in duizend glimmende sproetjes. Ik knipoogde, hij lachte breeduit, draaide zich om en wandelde verder. We werden vriendjes.

San Remo

Alle teksten ressorteren onder San Remo©copyright, tenzij anders is aangegeven. Niets van deze pagina mag elders worden geplaatst tenzij nadrukkelijke toestemming van de auteur is verleend. De teksten mogen ook niet gewijzigd, ingekort of verpersoonlijkt worden.

San Remo

terug naar boven