Johnny, Vastgevroren water intro - 1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7
|
Oorspronkelijke titel: een kleine lifter Ik rilde en had het koud. De regen striemde onophoudelijk op mijn lichaam neer en ik sloeg mijn armen om mij heen om het weer warm te krijgen. Maar niks hielp. Klappertandend keek ik om mij heen en probeerde om de omgeving in mij op te nemen. Alles leek grauw, asgrauw. Maar na veel inspanningen kon ik uiteindelijk de opstaande randen van een bassin ontdekken. In herkende het reliëf in de stenen muurtjes waar ik als kind zijnde op klauterde om vervolgens een ferme sprong in het water te nemen. Ik hield niet van zwemmen maar ik kwam voor hém, mijn grote vriend. Ik rilde nog steeds en keek omhoog en constateerde dat het in het zwembad regende. En dit, terwijl het dak van het gebouw gesloten was. Dit had ik nog nooit gezien en dit moest welhaast een droom zijn alhoewel de tergende kou aanvoelde als een ongewenste realiteit. Gehaast rende ik naar de rand van het diepe bad en zag hoe de wind de golven tot grote wildheid voortstuwde. Het was onwerkelijk, ik wist het. Maar toch kon ik mij niet van de beklemming losmaken. Ik staarde naar mijn naakte lichaam en zag dat die veranderd was. De haargroei was verdwenen en de spieren in mijn lichaam leken weer fris en jongensachtig. Ik draaide mij om en keek op de rug van een man die mijn aanwezigheid waarschijnlijk nog niet had opgemerkt. Wij waren alleen, en waren kennelijk de enig overgebleven bezoekers van het bad. Ik herkende de zwembroek die hij aanhad. Er kon geen twijfel over bestaan: de gestreepte stof hoorde toe aan degene die ik lief had. Mijn hart sloeg over en ik voelde hoe de angst zich verenigde met de blijdschap die het weerzien opriep. Ik riep zijn naam en riep zijn naam nogmaals. Ik riep zo hard dat mijn woorden de sluier van regen doorkliefden en ik zag dat hij zich langzaam omdraaide. Plotseling leek alles weer als vroeger, hij en ik. Samen. Alhoewel de regen in het zwembad in een gestaag tempo bleef neervallen voelde ik hoe de kou uit mijn lichaam trok waardoor ik verheugd mijn armen naar hem toe kon strekken. Hij was niks veranderd. De gespierde persoon die voortdurend in mijn gedachten woekerde zag er nog precies uit zoals ik hem voor de laatste keer had gezien. Het haar op zijn borst waar je zo zalig tegenaan kon leunen en waar je zijn naam in kon schrijven tierde nog even welig als vroeger. Ik herinnerde mij de momenten van rust en strelingen. Opnieuw was de liefde zo dichtbij dat ik het kon aanraken. Ik hunkerde er naar om zijn armen om mij heen te voelen en ik verlangde naar de strelingen van zijn sterke handen op mijn buik. Ik wist dat ik geen schijn van kans had als zijn vingers in mijn zwembroek gleden en mij masseerden totdat ik volledig leeg was geraakt. Hij hield er van als ik tegenstribbelde. Dan hield hij mij krachtiger vast en dwong mij om hem te kussen. “Mag ik dichterbij komen?”, vroeg ik bijna fluisterend. “Godverdomme. Ik dacht dat je dood was”. “Wat?” “Of Dirk heeft mij belazerd of jij hebt een spelletje met ons gespeeld”. Toen hij met grote passen op mij afliep probeerde ik snel weg te komen maar de tegels van het zwembad waren glad geworden door de aanhoudende regenval. Ik kon mij niet staande houden. Voordat ik kon opstaan voelde ik hoe zijn sterke handen mijn spierballen omsloten. Even later tilde hij mij aan mijn armen op en bengelde ik in de lucht. “Klootzak, je had hier beter niet naar toe kunnen komen. Nu moet ik het karwei afmaken”. “Welk karwei?”, stribbelde ik tegen. “Het karwei dat Dirk niet aankon. Je bent een gevaarlijk kereltje, je weet een beetje te veel naar mijn zin”. “Maar ik had een hersenschudding. Ik kon niet komen. Echt niet”, stamelde ik maar de man keek mij vol ongeloof aan. “Smoesjes, je weet donders goed dat dit smoesjes zijn. Je hoort hier elke keer te zijn als ik je nodig heb”. “Ik ben er nu toch?” Hij duwde krachtig van zich af waardoor ik over de gladde vloer gleed en met mijn hoofd tegen de stenen muur belandde. De klap deed mij duizelen maar desondanks probeerde ik weer snel op te klauteren. Ik voelde aan mijn hoofd en merkte dat ik bloedde. “Je bent te laat, kleine etter. Net als anders. Ik heb je wekenlang niet gezien”. “Maar het was Dirk, ik was bang voor Dirk”. “Dirk is mijn vriend. Ik ben niet bang voor hem”. “Maar hij slaat mij. Hij doet mij pijn. Als hij er niet is dan kan ik vaker naar je toe komen. Alsjeblieft, geef mij nog een kans. Ik zal alles voor je doen”. Het mocht niet baten. Opnieuw stond hij voor mij maar sloeg ditmaal zijn arm vriendschappelijk om mij heen. “Oké, breng mij dan maar dat vriendje die je net hebt weggebracht”. “Welk vriendje? Ik heb geen vriendje weggebracht”. “Kom, kom. Je mag niet liegen tegen mij”, voelde ik zijn vingers krachtig in mijn nek krammen. “Je weet wat er kan gebeuren met jongens die niet de waarheid tegen mij spreken”. “Die, die krijgen straf”, piepte ik van de pijn.. “ Juist, ja. Die krijgen straf”, lachte hij sarcastisch. “Hoe heet die jongen nu ook alweer? Het begint met een T, eh …je weet wel, dat jochie met die mooie blonde haren die al die tijd bij je was”. “Twinkeltje?”, vroeg ik verbaasd. Hij knikte en maakte met zijn rechterhand een verlekkerde beweging over zijn kruis. Het was mij een volslagen raadsel hoe hij iets over Twinkeltje kon weten. Maar in een droom bestonden blijkbaar geen tijdsgrenzen waardoor alles mogelijk was. “Ja, dat lekkertje bedoel ik. Als je mij dat jochie komt brengen dan mag je weer terugkomen. Maar wél onder mijn voorwaarden”. De woede groeide. Ik vloekte en spuwde hem recht in het gezicht waarna hij mij snel met zijn volle hand in het gezicht raakte. Het voelde aan alsof mijn neus gebroken was en de pijn in mijn wang brandde vanaf mijn oor tot aan mijn kin. Een nieuwe klap deed mijn neus bloeden. Nooit, nooit zou ik Cuba verraden door hem bij een bastaard te brengen zoals hij was. Desondanks bleef ik van hem houden maar het offer dat hij in ruil voor zijn liefde vroeg was te groot. Hij maakte een nieuwe beweging om mij te slaan maar hield in waardoor wij elkaar enkele seconden lang aankeken. De minachtende blik in zijn ogen deed mij huiveren. Zó vervaarlijk had ik hem nog nooit gezien. Misschien dat de droom mij probeerde duidelijk te maken dat hij anders was dan dat hij zich al die tijd aan mij had voorgedaan. Destijds was hij de vriendelijkheid zelve maar de tijden bleken veranderd. Ik wilde van hem houden, zoals hij was geweest. Ik wilde hem kussen en minnen, zelfs nu nog nadat hij mij geslagen had. Ik wilde hem vergeven. De regen gutste voort. “Je laatste kans”, stak hij zijn wijsvinger dreigend naar mij op. “En dan? Maak je mij dan dood?”, brulde ik hem toe. “Hm, ik zal je aan Dirk geven. Die wil nog wel wat plezier met je maken voordat hij zijn karwei afmaak. Kom je Twinkeltje nu nog brengen of niet?”. “Klootzak”, wierp ik hem toe. “Denk je dat je Twinkeltje krijgt? Ik ga nog liever dood”. Hij schoot vooruit om mij bij een arm te grijpen maar ik was ditmaal net iets behendiger waardoor ik hem wist te ontwijken. Snel klom ik op de rand van het bassin en dook in het water dat dreigend onder mij kolkte. Het water sloot boven mij waardoor ik afgezonderd was van de grauwe sfeer en de regen in het zwembad. Maar ik verwachtte dat mijn vriend mij zou naduiken omdat het zijn eer te na was om mij te laten ontsnappen. Even later zag ik hem naast mij en voelde zijn vingers maar die gleden langs mijn rug. Opnieuw deed hij een poging maar stuitte kennelijk op iets hards. Het leek alsof ertussen ons in een dikke glasplaat was geplaatst waardoor hij mij niet meer kon bereiken. Hij beukte vertwijfeld met zijn vuisten op het glas dat van geen wijken wist en waardoor ik mij veilig voelde. Ik keek hem aan en bestudeerde voor een laatste maal zijn gezicht dat een verwrongen grimas toonde. Voorzichtig raakte ik met mijn vingers het glas maar ook voor mij was er geen doorgang meer. Het glas bleef als een beschermend schild tussen ons in en terwijl wij onze hoofden dicht bij elkaar brachten in een poging om te communiceren kuste ik het glas als afscheid van een periode die mij zo lang gevangen had gehouden. Aan mijn kant van het bad liep het bassin leeg en klaarde het weer dermate op dat zelfs het zonnetje begon te schijnen. Mijn lichaam werd warm. Toen er nog een klein restje water overbleef op de bodem stond ik op en keek omhoog naar de glazen wand om te zien dat mijn vriend van weleer verwoedde pogingen deed om mij te bereiken. Telkens zwom hij omhoog om zijn longen vol te persen met verse lucht om daarna weer onder te duiken in de kolkende watermassa. Ik keerde mij om en liep weg, terwijl ik probeerde te vergeten wat er zo even was gebeurd. De pijn van de liefde en de pijn van het afscheid trokken langzaam weg omdat ik er van overtuigd was dat mijn vriend en beschermer van vroeger niet de vriend was die ik mij al die tijd had ingebeeld. Alhoewel ik nog vol met gedachten was bemerkte ik toch dat ik mijn kleren weer aanhad. De weg die ik liep voerde naar het kanaal waar ik als kind zijnde vaak vertoefde na het zwemmen. Het was droog en ik ging zitten aan de oever van het water en dacht na. Ik wierp steentjes in het water en keek naar de kringen in het water die steeds groter werden om daarna langzaam te vervagen. De kringen moesten welhaast symbolen zijn voor het leven. De inslag van de steen op het water duidde op het ontstaan van het leven en het wegebben van de kringen hadden het meeste weg van de dood. Elke nieuwe steen die de waterspiegel doorboorde was een aankondiging van een pasgeborene. De droom had Twinkeltje en mij naar de personen gebracht van wie wij het meeste hielden. Voor de kleine man was het weerzien uiterst succesvol geweest maar voor mij had de hereniging striemen achtergelaten. Ditmaal waren het echter niet dezelfde soort striemen die ik eerder had opgelopen. Nu voelde ik de pijn vanuit een therapeutisch leerproces. Op datzelfde moment schoot ik wakker. Ik ging zitten en sloeg mijn handen voor mijn ogen..Mijn hoofde leek gezwollen en mijn slapen bonkten hard. De droom had mij uitgehold. Ik voelde mij moe en probeerde de symbolen die ik tijdens mijn slaap aangereikt had gekregen tot een ketting te rijgen. Er waren zoveel vingerwijzingen geweest en zoveel boodschappen dat ik angstig was geworden om ze te verliezen. Ik voelde mij te vermoeid om ze lang te kunnen onthouden. Desondanks bleven mij toch momenten bij waarbij ik mij verwarm voelde. Ik confronteerde mijzelf met trost, trots op mijzelf dat ik Twinkeltje niet had verkocht voor een handjevol liefde van twijfelachtige aard. Maar belangrijker vond ik de hereniging van mijn kleine Cubaantje met zijn vader. Als dagdromen daadwerkelijk bestaan dan droomde ik nu opnieuw weg bij de beelden die ik terug riep. Vader en zoon, een liefde apart. Daar stelden de belangen en problemen uit mijn leven niets bij voor. Terwijl mijn lichaam langzaam in het ritme van de dag begon te geraken staarde ik naar de horizon waar de zon traag zijn weg naar volwassenheid begon te aanvaarden. De lucht was opengebroken en de wolken aan de hemel leken het meeste op de schaapjeswolken die ik in het eerste gedeelte van mijn droom had ontmoet. Een violet licht begroette mij en toen ik het raampje in de portier opendraaide hoorde ik de vogels vrolijk kwetteren. Het was hún ochtendlied, hún volkslied waarin zij al hun dankbaarheid over de komst van een nieuwe dag hadden ingesloten. Ik genoot en dacht aan de droom en in gedachten mijmerde ik over een knuffelpartij met Twinkeltje, de jongen die mijn vreugde tot het ultieme versterkte. Weldra zou ik hem wakker maken en zouden wij opnieuw praten over van alles en nog wat. We zouden discussiëren over belangrijke dingen en talloze onbenulligheden uitdiepen die voor een knulletje van zijn leeftijd nog zo belangrijk waren. Ik opende de portier en liep naar de struiken om die te begieten met een flinke straal ochtendurine. Het weer voelde fris aan en deed mij even huiveren. Ik speelde met de bladeren die neerbuigend plat gingen onder de kracht van mijn plaswater en lachte vreugdevol als zij zich nadien weer speels oprichtten Daarna draaide ik mij om en nam mij voor om Twinkeltje wakker te maken. Het was tijd om onze weg te vervolgen. Toen ik door het raam van het linkerportier naar binnenkeek sloeg de schrik om mijn hart: Cuba, mijn vriendje, hij was verdwenen. “Mijn God, mijn lieve God. Vertel mij dat dit niet waar is. Waar is Twinkeltje? Waar is het jochie gebleven om wie ik zoveel geef?” Ik riep zijn naam, ik schreeuwde zijn naam. Maar alles bleef stil alsof hij nooit aanwezig was geweest. Het enige wat ik hoorde was de echo van mijn stem die weerkaatste tegen de glooiingen van het landschap. Volkomen gedesillusioneerd liet ik mij neerzakken op de rand van de motorkap en bedacht dat Twinkeltje misschien eerder wakker was geworden en in zijn enthousiasme alvast langs de rijksweg vooruit was gelopen. Maar bij een korte check bleek dat het knopje van de vergrendeling in de portier aan zijn kant nog steeds was ingedrukt. Ik stak een sigaret aan en blies de rook zenuwachtig voor mij uit. Twinkeltje en de droom, alles leek zo levensecht. Ik vroeg mij af welk stuk ik écht had beleefd en welk stuk uit mijn fantasie ontsproten was. Minutenlang hielden die gedachten mij bezig maar ik kon niet tot een slotsom komen. Ik inhaleerde diep en piekte het laatste restje van mijn sigaret in een plas. Het tipje tabak protesteerde sissend maar stierf daarna een roemloze dood. Ik voelde mij opnieuw eenzaam en verlaten. Er restte niet veel meer dan mijn weg vervolgen. Onderweg zou ik kunnen nadenken over hetgeen zich in de laatste 24 uur had afgespeeld. Met een plof liet ik mij neervallen in de kuipzitting van mijn stoel en drukte op de toetsen van mijn autoradio. Meteen schoten helse tonen van een ritmisch spelende muziekgroep door wagen en aarzelde ik niet lang om het volume te minderen. ‘Flowerpower, flowerpower’, flitste de woorden van Twinkeltje door mijn gedachten. Ik trok het plaid van de stoel naast mij weg en probeerde het op te vouwen om het netjes op de achterbank te leggen. Op de plaats waar het plaid had gelegen lag nu een ketting, een ketting met een medaillon. Daarnaast lag een opgevouwen briefje. Met trillende vingers pakte ik het papier op en probeerde het handschrift te lezen. Ik herkende de stijl nog van vroeger, dit was onomstotelijk het schrift van Cuba. “Lieve reiziger, Ik ben niet ver bij je vandaan want waarschijnlijk zal ik nooit uit je gedachten geraken. De Engelen hebben ons een geschenk gegeven. Zij hebben mij verenigd met mijn vader maar jouw wens liep echter dood. Dit is goed omdat je meer verdiende dan hetgeen je gekregen zou hebben als je naar het verleden was teruggedaald. De Engelen weten dat je nu met lege handen bent achtergebleven daarom geven ze je een nieuwe kans. Ga in Frankrijk wonen, samen met Jérôme. Geniet van de laatste jaren die je nog te leven hebt. Geef hem het medaillon dat alleen na je dood en in de nacht geopend mag worden. Het medaillon is een sluis waardoor jullie elke keer voor enkele uren kunnen samenzijn. Je had een makkelijke keuze om mij in te ruilen voor de liefde van de man in het zwembad. Ik zou dat geaccepteerd hebben omdat ik veel van je hou. Omdat je jezelf niet aan je gevoelens hebt overgeleverd en anders hebt beslist hebben de Engelen je nog een ander cadeau geschonken. Het ligt vlak bij je. Probeer mij niet te bereiken. Elke toenadering zal onze levensloop opnieuw verstoren. P.s. Ik hou van je. Cuba Ik vroeg mij af waarom ik altijd als een oude vrouw moest grienen bij het lezen van dit soort berichten. Misschien werd dit veroorzaakt door het gevoel van de drukkende verslagenheid die gepaard ging met ons afscheid. Wellicht kwam het door de vreugde omdat de brief en het medaillon een bevestiging waren dat ik niet hallucineerde en dat alles wat ik had meegemaakt ook inderdaad écht gebeurd was. Misschien welde het verdriet in mij op omdat ik, ondanks alles toch de eenzaamheid overheerste. Maar het meeste van alles denk ik dat ik huilde van blijdschap omdat Jérôme en ik nog een tijdje van elkaar mochten genieten. Deze kans zou ik mij niet laten afnemen. Snel zocht ik om mij heen wat het andere geschenk van de Engelen kon zijn waarover Twinkeltje in zijn afscheidsbrief had geschreven. Maar ik kon niks vinden. Misschien bedoelde hij wel iets anders, geestelijk of iets dat zich pas zou openbaren als Jérôme en ik met elkaar verenigd waren. Ik pakte de Treo op en drukte op enkele bedieningsknoppen. Ik was op zoek naar de boodschap van Madame Jolly omdat ik wist de instellingen op het apparaat van dien aard waren dat alle gesprekken werden opgenomen. Maar het geheugen leek gewist. Niets wees erop dat dit gesprek werkelijk had plaatsgevonden. Pas toen ik de Treo teleurgesteld wilde uitschakelen zag ik het: de tijd was enkele jaren teruggezet tot nét voor het moment dat ik Jérôme voor de eerste keer zou ontmoeten. Dít was dus het geschenk van de Engelen, dít werd bedoeld met het cadeau dat dicht bij mij lag. Ik vouwde mijn handen en probeerde te bidden. Woorden van dank stegen op naar de hemel en zouden de Engelen bereiken. Het vastgevroren water was weer gaan leven en zou onstuimiger stromen dan ooit tevoren. Die gedachte sterkte mijn wil om, elk jaar dat ik nog te leven had om te toveren tot een waar feest.
Twinkeltje, waar ter wereld je ook mag zijn: ik zal je nooit vergeten. Ik hou van je.
Johnny 25-05-2004
Alle teksten ressorteren onder JRvanDriel©copyright, tenzij anders is aangegeven. Niets van deze pagina mag elders worden geplaatst tenzij nadrukkelijke toestemming van de auteur is verleend. De teksten mogen ook niet gewijzigd, ingekort of verpersoonlijkt worden. |
|
Johnny |