Johnny, Vastgevroren water intro - 1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 -7
|
Oorspronkelijke titel: een kleine lifter Ja, ik geef het onmiddellijk toe. Vanaf het eerste moment beheerste de blonde rakker, die ik aan de voet van de rijksweg meenam, mijn gedachten. Hij was perfect, té perfect. Zijn bijna volmaakte, atletische uiterlijk maakte mij geil en de kwetsbaar lijkende positie waarin hij zich uitermate handig in had weten te manoeuvreren deed mij geloven dat ik te maken had met een zwervertje die door God en ieder verlaten was. Bij de laatst genoemde conclusie zat ik waarschijnlijk niet eens zo ver van de werkelijkheid af. Cuba was nu eenmaal een ventje met een verhaal maar gaandeweg bleek hij minder kwetsbaar te zijn dan ik in beginsel had aangenomen. Zijn sterke neiging naar aanhankelijkheid had telkens de ware toedracht van zijn aanwezigheid kunnen vertroebelen maar nu stond ik op het punt om mij niet meer te laten verleiden door de verhullende nevelen die hij om zich heen trok. Ik moest achter de waarheid zien te komen en pakte hem bij zijn blonde haren en trok zijn hoofd ruw naar achteren. “Auw. Je doet mij pijn, hufter”, schreeuwde hij zijn protest luidkeels terwijl hij afwerende gebaren maakte. Maar er was niemand die hem kon horen. Mijn greep verslapte niet en ik bleef hem strak en dreigend aankijken in zijn diepblauwe ogen. “Ik wil dat je mij nu de waarheid vertelt”, beet ik hem toe. “Ik zit er niet op te wachten om telkens een stukje te horen. Ik wil dat je mij nu alles zegt wat je weet”. Twinkeltje worstelde nog wat om aan mijn greep te ontkomen maar het wilde hem niet lukken om zich te bevrijden. Misschien wist mijn jonge vriend niet eens zoveel te vertellen of waarschijnlijk had hij geen overzicht op de situaties en de logica die zich op deze avond voordeden. Hij was nog jong, dat was aldoor zijn makke geweest, maar als we deze lijn samen zouden blijven volgen dan zou uiteindelijk kunnen blijken dat hij ook gevaarlijk was. Verdomde gevaarlijk. “Als je zo doet dan vertel ik je niks”, spuwde hij zijn woedde. “Laat mij los, klootzak”. “Oké. Ik laat je los, maar onder één voorwaarde. Als je stopt met praten dan trek ik alsnog al je alle haren uit je kop”. Met een vluchtig beweging liet ik hem los en duwde hem minachtend van mij af. Hij viel achterover en botste mijn zijn ranke schoudertjes tegen de portier. Cuba gaf een lichte pijnkreet ten gehore maar vermande zich vrijwel onmiddellijk, Hij wilde niet laten blijken dat ik hem bezeerd had. Even veerde hij op en maakte een beweging alsof hij mij wilde slaan maar hield zich in nadat ik een waarschuwende wijsvinger tegen hem opstak. “Dat zou ik niet doen als ik jou was”. Twinkeltje draaide zijn hoofd boos in een andere richting en greep vervolgens naar zijn hoofd om te voelen of zijn haardos nog compleet was. “Wat moet ik jou dan vertellen?”, ademde hij gehaast. “Je zou eerst eens kunnen beginnen om mij uit te leggen waarom je hier bent. Kennelijk weet je meer dan ik. Ik heb van het begin af aan al het gevoel gehad dat je hier niet zonder reden bent en nu wil ik weten wat die reden is’. “Er is geen reden”, probeerde hij. “Ik denk van wel”. Hier zweeg hij en dit gaf mij de indruk dat hij nadacht hoe hij zijn verhaal op mij moest overbrengen. “Ik weet niet goed hoe ik moet beginnen”, sprak hij na een korte stilte. “Vertel mij eerst of je inderdaad Cuba bent” “Twijfel je daar aan?” “Niet echt, je weet zoveel over hem te vertellen dat ik welhaast moet aannemen dat dit inderdaad zo is. Maar wat doe je dan in hemelsnaam in dit lichaam? Je ziet er bekoorlijker uit dan de jongen die ik ken. Daar moet toch een reden voor zijn?”. “Ik heb dit lichaam meegekregen van hierboven”, wees hij in de lucht. “Kijk, nu komen wij ergens. En van wie heb je dit lichaam meegekregen?”. “Van de Engelen die over mij waken. Zij vertelden mij dat ik op aarde iemand zou ontmoeten die mij verder kon helpen”. “En waarmee zouden die persoon je dan moeten helpen? Als er Engelen bestaan dan is er niks te verzinnen dat ze niet zelf zouden kunnen doen”. “Ik wilde ze niet geloven”, antwoordde hij terwijl hij zenuwachtig met zijn vingers begon te spelen. Ik keek hem onderzoekend aan en moest tot de conclusie komen dat hij de grootste moeite had met deze fase. Kennelijk was er iets dat hij liever heimelijk in zichzelf probeerde te houden maar, aan de andere kant, bespeurde ik ook de twijfel om zijn verhaal toch te delen met iemand die hij vertrouwde. “Ze hebben mij weggestuurd”, stamelde hij terwijl zijn gezicht rood kleurde. “Weggestuurd?”, herhaalde ik zijn woorden en lachte. “Hebben de Engelen je weggestuurd? Daar moeten ze dan wel een verdomd goede reden voor hebben gehad. Als je eenmaal aan de overkant bent gekomen dan moet je het wel erg bont hebben gemaakt willen ze alsnog besluiten om je terug te sturen”. “Toch deden ze het. Ze konden niks met mij omdat ik ze niet vertrouwde”. Ik moest even nadenken en door de korte stilte die viel maakte Cuba op dat ik op hem wachtte om zijn verhaal verder aan te horen. “Ze vertelden hetzelfde als jij”. “Hm”, lachte ik. “Dan ziet de toekomst er goed voor mij uit. Als ze hetzelfde vertellen als ik dan kan ik later wellicht ook een Engel worden”. “Misschien wel, je lijkt een beetje op hen. Alleen zijn zij wit en hebben vleugels. Dat heb jij nog niet’. “Maarreh … om even terug te komen op jouw verhaal. Wat hebben die Engelen dan tegen jou gezegd?” “Over mijn vader. Dat hij zoveel was veranderd en dat hij toch van mij hield”. “Ah, en dat wilde je niet van hen aannemen en daarom had je mij nodig om van iemand anders een second opinion te krijgen”. Het verbaasde mij om Twinkeltje verlegen te zien. Hij had zijn hoofdje al die tijd schuldbewust naar beneden gericht omdat hij mij in deze fase kennelijk niet rechtstreeks durfde aan te kijken. “Maar nu ben je er toch wel van overtuigd dat je vader van je houdt?” “Ja, nu wel”, begon hij onmiddellijk te stralen. Hij keek mij plotseling verheugd aan en spreidde zijn armen in de hoop dat ik hem stevig tegen mij aan zou drukken om hem te knuffelen. Ik beantwoordde zijn vraag en streelde hem zachtjes terwijl hij over mijn benen klauterde om voor mij te komen zitten. “Heb je nog een sigaret?” “Jawel, maar je gaat mij eerst nog meer uitleggen want mijn verhaal is nog niet helemaal compleet”. “Wat wil je dan nog meer weten?” “Ik wil dat je mij nog wat meer vertelt over dat telefoontje van Madame Jolly en over Jérôme”. “Oh, dat?”, probeerde hij tijd te winnen. Het werd mij duidelijk dat hij daar liever niet over sprak. “De Engelen zeiden mij dat … eh .”. “Vertel maar verder”. “Ze hadden een boodschap voor jou”, sprak hij nu snel. “Voor mij? Kennen zij mij dan?” “Ze kennen iedereen. Ik moest de persoon die mij kon overtuigen laten zien wat er in de toekomst ging gebeuren”. “Nou, dat is je dan aardig gelukt. Ik ben blij dat ik het van tevoren weet, Dan weet ik een klein beetje hoe je toekomst er gaat uitzien”. “Maar het was maar de helft van de boodschap. Ik moet je nog meer vertellen”. “Waar wacht je op?” “Ik weet niet, is moeilijk”. “Wat kan er na al die dingen die wij vanavond samen hebben meegemaakt nog moeilijk zijn? Je kan mij beter alles in één keer vertellen. Dat heb ik liever dan al dat ontwijkende gedoe”. Hij had het er moeilijk mee. Dat voelde ik toen hij zijn warme lijfje steviger tegen mij aandrukte om zich daarna om te draaien waardoor hij korte maar liefdevolle kusjes in mijn nek kon geven. Ik had gedroomd van een dergelijke situatie en in die dromen zou ik ervoor gegaan zijn om te vrijen met een knaapje die met zoveel zwoelte tegen mij aan was geklauterd. Jarenlang had ik gehunkerd naar de vrijwilligheid en vriendschap die niet zou eindigen in een ellenlange streelpartij maar naar een liefdesspel van ongekende hoogte zou toe groeien. Zachtjes streelde ik hem onder zijn shirt terwijl ik voelde hoe zijn tongetje likkebaarden door mijn nek gleed. Onze hoofden waren dicht bij elkaar en ik genoot van de warmte van adem. De begeerte kroop in mij en ik duizelde van het geluk dat dit knaapje in mij deed opwellen. Hij was anders dan Jérôme, liefdevoller, aanhankelijker en behept met meer wellust of beeldde ik me dit slechts in? Jérôme!!! Sodeju, hoe zou ik hem kunnen vergeten? “Vertel mij over Jérôme, Twinkeltje. Wat is er aan de hand?”. “Beloof mij eerst dat je niet boos zal worden”. Ik duwde Cuba een klein stukje naar achteren zodat ik mijn hand op mijn hart kon leggen. “Ik beloof je plechtig dat ik niet boos op je zal worden”. “Ook niet verdrietig?” “Dat kan ik je niet beloven omdat ik nu nog niet weet wat je mij gaat vertellen. Maar ik zal mijn best doen om niet verdrietig te zijn”. Ik was er voorbereid om aan te horen dat mijn lieve Jérôme het uiteindelijk niet zou halen en in mijn armen zou sterven. Dát nieuws zou ik kunnen verwerken al zou het met de allergrootste moeite zijn, omdat het verlies van mijn kameraadje mijn hele wereld aan gruzelementen zou schoppen. Maar Cuba had een andere boodschap te vertellen, een boodschap die alle werkelijkheid ten buiten ging. “Gaat Jérôme dood?”, fluisterde ik voorzichtig terwijl ik mijn hart angstig in mijn keel voelde bonken. “Het … het is niet Jérôme die gaat sterven”. “Wie dan wel? Madame Jolly?” Twinkeltje keek mij strak aan terwijl hij bedachtzaam zijn hoofdje schudde. Zijn ogen stonden dof en hij perste zijn lippen stijf op elkaar. “Wie dan wel? Godverdomme, vertel mij wie er dood gaat?”. Er kwam opnieuw geen antwoord waardoor de situatie duidelijker werd dan dat dit met woorden gepaard zou gaan. “Oh, nee”, begon het tot mij door te dringen. “Zeg mij dat dit niet waar is. Ik ben nog lang niet van plan om dood te gaan. Ik heb nog een lang leven voor mij en ik ben nog kerngezond. Ik ….”. Ik boog het hoofd en gunde mijzelf enige ogenblikken om het nieuws tot mij door te laten dringen. Daarna pakte ik Twinkeltje bij de schouders en schudde hem ruw heen en weer. Zijn hoofdje slingerde slapjes mee met de bewegingen die ik maakte Vervolgens drukte ik hem weer tegen mij aan en begon zachtjes te huilen om mijn emoties te ontladen. “Had maar naar die Engelen geluisterd dan had je mij nooit ontmoet”. “Ook al had ik onmiddellijk vertrouwen gehad in de Engelen dan zou Jérôme toch ook ziek zijn geworden. Je had het dan alleen niet van tevoren geweten. Nu kan je er nog vijftien jaren voor hem zijn, als vriend. Hij houdt van je”. “En als ik hem niet meer wil kennen?”, snotterde ik in een poging om een uitweg te vinden. “Niks kan je toekomst meer veranderen. Jérôme heeft over vijftien jaar een donornier nodig en jij zal de donor zijn”. “Heb ik veel pijn als ik sterf?”, sloegen mijn woorden over. “Je hebt nooit pijn als je in de armen van je vriendje sterft. Alsjeblieft maak je daar niet zo verdrietig over, je zal geen pijn voelen”. “Coma?”, wilde ik weten. “Ja. Coma”. “Zal ik jou dan tegen komen, daarboven?” “Ik weet niet. Ik mag naar mijn vader terug. Het zal wel even duren voordat ik je weer zal tegenkomen”. Ik zuchtte. Op een dergelijke schokkende ontrafeling van een mysterie had ik niet gerekend. Het was waar, ik zou er alles voor overhebben om het leven van mijn vriendje te redden. Het zou mij niet kunnen schelen of ik daarbij enig risico zou lopen omdat ik wist dat Jérôme hetzelfde voor mij zou hebben gedaan. Daarvoor waren wij vrienden en daarom hielden wij ook zo ontstellend veel van elkaar. Waarschijnlijk zou ik de vriendschap met Jérôme niet duidelijker hebben kunnen onderstrepen dan door mijn leven voor hem te geven. Misschien was dit dan de ultieme oplossing die mijn leven uiteindelijk nog een bestemming zou kunnen geven. Het was toch immers een leven geweest dat jarenlang uitzichtloos was geweest en zich zonder enig doel voortsnelde. De problemen die ik sinds mijn jeugd achter mij aan had gesleept remden mij aldoor af en hinderden mij om intense vreugde te beleven in de kontakten die ik had. Wellicht zou de dood een bevrijding betekenen waardoor ik mijn zonden zou kunnen aflossen. In mijn zucht naar liefde had ik plezier gehad met mannen en met ze gespeeld terwijl zij hun lusten op mij botvierden. Zij waren in mij gekropen, van achteren en door mijn mond en waren altijd vastberaden geweest om nooit meer uit mijn lichaam te gaan. Ze waren er nog steeds, diep in mij, en hadden nooit aanstalten gemaakt om mij te verlaten wat het voor mij onmogelijk maakte om mijn verdriet te kunnen helen. En nooit, nog nooit, heb ik het ware gevoel van liefde beantwoord gevoeld. Mijn lichaam was verdord, opgedroogd en behoefde een nieuwe impuls om verder te kunnen gaan. Ik besefte dat mijn levenswijze door de loop der tijd vermoeid was geraakt en dat de uiterst kleine momenten van vreugde eigenlijk niet de moeite waren om daar enigerlei waarde aan toe te kennen. Of toch? Misschien zou ik juist de lering moeten oppakken en uit de resterende tijd alle vreugde en plezier moeten opzuigen die ik zou kunnen vinden. Wellicht was dit de boodschap die de Engelen via Twinkeltje op mij probeerde over te brengen. Binnen dit kader was Jérôme de sleutel die ik nodig had om mijn leven hernieuwde inhoud te geven. En ik was de sleutel voor Jérôme om verder te leven. “Ik voel mij moe”, sprak ik tegen Twinkeltje die al minutenlang niet gesproken had. Waarschijnlijk vocht hij ook tegen de slaap maar schrok toch even op toen ik zijn naam noemde. “Ik ook”, antwoordde hij kort. “Ik heb niet veel zin om vanavond nog verder te rijden. We kunnen in de auto slapen, dan rijden wij morgen weer verder”. “Oké”. “Als we de stoelen in de slaapstand zetten dan sla ik een plaid over ons heen. Dan blijven wij lekker warm”. “Ik wil wél bij jou slapen”, piepte Twinkeltje op de achtergrond. “Nou, nou. Je slaapt één stoel verder. Is dat niet genoeg dichtbij?” “Nee. Ik wil tegen je aan liggen”. “Goed dan, als je maar niet zo ligt te woelen. Alhoewel, ik zou daar misschien toch niks van merken want volgens mij val ik direct als een blok in slaap”. “Ik denk dat ik ook niet meer zo lang kan wakker blijven”. “Dat is goed. Ik zal je lekker instoppen. Doe jij nog even de portier aan jouw kant op de knip dan kunnen er geen onverwachte bezoekers binnen komen zonder dat wij dit horen. Morgen kunnen wij weer verder babbelen”. “Trusten”. “Welterusten”. Terwijl ik voelde hoe Twinkeltje zich lekker tegen mij aan nestelde en zijn hoofdje tegen mijn borst legde dacht ik nog wat na over de gebeurtenissen die deze avond waren gepasseerd: het toeval dat geen toeval bleek te zijn; de hemel die vervuld was met magie en de regen die het verdriet had aangekondigd. Deze avond was er veel in mij losgemaakt. Na vele jaren van zwijgen had ik eindelijk gesproken en ik had besloten om mijn verhaal te vertellen aan een jochie die ik nauwelijks kende. Ik vroeg mij af wat zijn vader had bezield om het leven te nemen van een karaktertje dat zo doordrenkt was van zoveel echte liefde. Mijn ogenleden werden zwaar en rond mij heen trokken de nevelen van de slaap in een steeds dichter wordende massa. Het zou niet lang meer duren voordat ik naar een ver en veilig dromenland zou zijn vertrokken. Ik keek nog even vluchtig naar mijn ‘stoere’ vriendje die prinsheerlijk tegen mij aan lag geknuffeld. Sabbelend, met de duim in mond. Daarna sloot ik mijn ogen: De slaap voerde mij mee naar een duizelingwekkende hoogte. Ik vloog dwars door de witte schapenwolken die lange tijd aan mijn lichaam bleven kleven voordat ze mij wilden loslaten. De zonnestralen schoten als glijbanen uit de hemel en de vogels die met mij opvlogen brachten hun beste lied ten gehore. Ik zweefde in een vacuüm van geluk en zaligheid en voelde de warmte onafscheidelijk tegen mijn lichaam gekleefd. Ik keek omlaag en zag de aarde als een kleurrijke bol en kon de scheidingen van het land en oceanen duidelijk waar nemen. Het uitzicht was helder en nam mij verder mee op reis naar de bloementuin die bij de begraafplaats behoorde. Daar zag ik een man die alleen was en op een bankje zat. Hij zat ineengedoken en staarde met zijn hoofd naar de grond. De droom maakte het mogelijk dat ik in zijn ziel kon kijken waardoor ik ook de smaak kon proeven van het verdriet dat hem verscheurde. Hij zuchtte en blies de rook uit van een immense sigaar die, naar mijn schatting, groot genoeg was om dagenlang te kunnen branden. De rook kringelde op boven zijn hoofd en de man keek er naar. Hij wachtte, net zoals ik wachtte maar ik wist niet waarop. Totdat mijn aandacht getrokken werd door een zwart, metalen hekwerk dat de bloementuin begrensde. Daar, bij de opening stond een jongen. Ik voelde aarzeling in zijn hart en moedigde hem aan om verder te lopen. De man keek op en staarde secondenlang in de richting van de entree. Zijn gedachten waren niet hier maar zouden dat welras zijn als het tot hem doorgedrongen zou zijn dat hem een gunst was verleend. Het was een gunst die zich niet liet meten aan aardse waarden. Schoorvoetend zette de jongen zijn eerste stappen op het grindpad. Zijn hartje klopte angstig van onzekerheid omdat hij nauwelijks kon inschatten hoe de man op zijn aanwezigheid zou reageren. De ogen van de man begonnen te tranen en hij durfde zich amper te beroeren omdat hij bang was dat elke beweging de tere aanblik van een hernieuwd leven zou verstoren. Hij wachtte en hield de adem in terwijl hij zich afvroeg of de goden hem alleen een panoramisch beeld hadden gezonden of dat zijn waarnemingen op waarheid berustten. De sigaar die hij aldoor in zijn hand had gehouden viel op de grond maar er was niemand die het merkte. Zijn lippen begonnen te trillen en zijn handen te beven. De jongen kwam steeds dichterbij en luisterde naar het grind dat onder zijn voeten kraakte. Bij elke die hij deed werd hij vergezeld door een knarsend geluid dat hem alert hield. Halverwege het pad hield de jongen stil en wachtte vol hoop op een reactie van de man die onbewegelijk bleef zitten. Hij wendde zijn hoofd af alsof hij steun zocht in de omgeving. Maar er was niks dat hem kon helpen. De man zou de volgende persoon zijn in het scenario van mijn droom die aanstalten moest maken om zijn rol in te vullen. Ik keek naar zijn lippen die zachtjes enkele woordjes prevelden. “Cuba?”, klonk het vragend, bijna smekend, terwijl de tranen over zijn wangen stroomden om zich vast te grijpen in zijn weelderige baardgroei. “Cuba?”, herhaalde hij ietwat harder. Hij keek het kereltje aan die roerloos op het pad was blijven staan. Het gezicht van de jongen stond strak maar zijn hartje klopte vol ongeduld in afwachting tot de man hem in zijn armen zou sluiten maar de drempels bleken hoog en andermaal klonk mijn stem, nu in de richting van de man, om actie te ondernemen. “Ga, haal hem. Je zoon houdt van je. Cuba verlangt er naar dat je hem oppakt en knuffelt en hij wil van jou horen dat je van hem houdt. Jouw zoon heeft zo lang gewacht op een teken van liefde en dit is de kans om jouw liefde te laten blijken”. “Waarheen moet ik kijken?”, huilde de man. “Ik schaam mij zo verschrikkelijk over de misdaad die ik heb begaan dat ik hem nauwelijks durf te naderen”. “Als je echt om hem geeft dan sta je nu op en sluit je hem voorgoed in je hart”. “Ik ben bang, zo verschrikkelijk bang”. “Dat is Cuba ook, maar hij heeft het toch maar aangedurfd om de kloof tussen jullie af te breken. Hij is hier niet alleen voor hemzelf, maar ook voor jou. Ook hij heeft zijn angst moeten overwinnen om hier te zijn”. Terwijl er een lichte huivering door het lichaam van de man trok stond hij op van de bank en schrok omdat de jongen op zijn reactie een aantal passen naar achteren deed. “Wacht”, klonk de stem van de vader. “Wacht, ik zal je geen kwaad doen. Mijn lieve Cuba, alsjeblieft loop niet bij mij vandaan”. Ik keek neer op het tafereel dat zoveel kristalzuivere liefde herbergde dat het mij begon te duizelen. Elke stap die de twee tot elkaar maakte was er één van aarzeling, van verkenning. Elke stap was er één die paste in het tempo van de tijd en de angsten die beiden in het leven hadden ontmoet. Maar ook was elke stap een toenadering naar een hernieuwd leven dat nu pas voor Cuba zou kunnen beginnen. De laatste stappen voltrokken zich niet meer zo langzaam en p de laatste meters vlogen zij elkaar als afgeschoten projectielen in de armen. De man drukte mijn Twinkeltje tegen hem aan en ik zag van uit de verte dat Cuba zijn armen om hem heensloeg. Van ver voelde ik de tranen van blijdschap en genoot van de warmte en de onmetelijke vreugde. “Vergeef mij, Cuba. Vergeeft het mij. Ik zal alles voor je doen om mijn fouten goed te maken. Geen opdracht zal te zwaar zijn om voor je te vechten. Ik wil dat je voorgoed bij mij blijft”. Nog even zag ik dat Twinkeltje het hoofd naar achteren boog om zijn vader aan te kijken. “Papa”. “Stil, maar jongen. Ik moet het eerst zeggen. Ik had het je al zo eerder moeten vertellen, maar ik kón het niet. Nu wel”. “Wat is het dan?” “Ik hou van je. Godverdomme, zoon. Ik hou zo verschrikkelijk veel van je en ik bedank de goden dat ze je weer hebben thuisgebracht. Van nu af aan zal alles anders zijn” “Paps, ik heb je zo gemist”. Bij deze woorden scheurde de emotie opnieuw open en de man barstte andermaal in tranen uit terwijl hij getroost werd door zijn zoon die hem liefdevol door zijn haar streek. Ik wist dat ik Twinkeltje nooit meer zou terug zien. Hij was thuis, waar hij hoorde. Mijn taak was volbracht. “Papa, kijk naar boven. De Engelen, zij kijken naar ons”. Het volgende ogenblik kreeg ik het gevoel dat zij mij recht in het gezicht aankeken. Ik zocht naar een plaats om mij te verbergen maar om mij heen kon ik niets ander vinden dan blauwe lucht. Ik zwaaide omdat ze naar mij zwaaiden en ik aanvaardde de woorden van dank omdat ik wist dat ze naar mij waren gericht. Terwijl de droom mij langzaam verder voerde besefte ik dat ik Twinkeltje nooit meer terug zou zien. Hij was afgeleverd op zijn bestemming. Dit was zijn plekje op de wereld en gelukkig kon hij opnieuw beginnen met een liefdevolle vader aan zijn zijde. De droom praatte tegen mij. Eerst vriendelijk en vol bezorgdheid. Daarna klonk de stem dreigender en pakten zich donkere wolken aan de hemel samen terwijl het begon te onweren. Mijn deel van de droom moest kennelijk nog komen. Wordt vervolgd 13-mei-2004 Johnny
Alle teksten ressorteren onder JRvanDriel©copyright, tenzij anders is aangegeven. Niets van deze pagina mag elders worden geplaatst tenzij nadrukkelijke toestemming van de auteur is verleend. De teksten mogen ook niet gewijzigd, ingekort of verpersoonlijkt worden. |
|
Johnny |