Johnny, Vastgevroren water intro - 1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7
|
Oorspronkelijke titel: een kleine lifter “Als ik een regendruppel had kunnen zijn dan was ik nu uit de hemel neergedaald en was diep weggekropen in de aarde. Ik voel zoveel onmacht in mij opkomen en wat je mij vertelde klinkt afgrijselijk. Weet je zeker dat je de waarheid vertelt? Ik kan mij dit alles bijna niet voorstellen.” De enige reactie die ik kreeg was een heftiger snikken en voelde de krachtige greep van zijn hand waarmee hij zich bijna wanhopig aan mijn broekspijp vastgreep. “Ik heb je toch al gezegd dat mijn vader niet van mij hield. Hij wilde dat ik dood ging”. Het kippenvel kroop tegen mijn rug aan en ik merkte dat het bonken van mijn hart welhaast tot ver in de omtrek te horen moest zijn geweest. Terwijl ik nadacht over een gepast antwoord streek ik hem door zijn blonde haren. Het voelde aan als gesmolten stro, het was warm en stug. Toen mijn vingers zijn wang raakten probeerde hij mijn hand te kussen en te strelen maar het bleef bij een vruchteloze poging omdat ik besloot om zachtjes zijn slanke nek te masseren. “Kom eens zitten”, vroeg ik hem gebiedend in een wankele poging om de regenval van tranen af te stoppen. Aarzelend klauterde hij omhoog en veegde met de bovenkant van zijn pols langs zijn nat geworden neus. Hij snotterde maar dat deerde mij niet. Ik besefte dat ik op hem moest inpraten op een manier dat hij zijn verhaal bij mij kwijt kon. Maar ik realiseerde mij ook dat dit niet zou meevallen omdat het verdriet ook mij naar de keel had gegrepen. Ik betrapte mij erop dat ik op een bijna vaderlijke wijze mijn hand op zijn gezichtje legde terwijl ik de tranen droogde die almaar bleven komen. “Ach, mijn lieve jongen toch”, suste ik. “Wat heb jij ontstellend veel mee moeten maken in je korte leventje. Als ik je ergens mee kan helpen dan moet je dat maar zeggen”. Twinkeltje zweeg en legde zijn hoofdje te neergeslagen tegen mijn borst in een poging om mijn overhemd en stropdas nat te huilen. Ik durfde mij nauwelijks te verroeren en kuste hem regelmatig op de vlasblonde kruin van zijn hoofd. Ik had met hem te doen alhoewel ik hem nauwelijks kende en ik nog steeds bedenkingen had tegen de meer dan toevallige wijze waarop wij elkaar opnieuw hadden ontmoet. Ik wilde hem geloven maar ik had hem nog zoveel vragen te stellen. “Iedereen is misleid door het afscheidsbriefje dat je had geschreven. Als dat briefje nooit ontdekt was geweest dan had de recherche beslist aangenomen dat er meer aan de hand was geweest. Ze twijfelden maar hebben het onderzoek snel stopgezet omdat je afscheidswoorden zo oprecht hadden geklonken”. “Geloof jij mij dan ook niet?”, beet hij mij toe. Zijn woorden priemden als een scherpe dolksteek door mijn borstbeen. Hij moet mijn schrikbeweging beslist hebben opgemerkt maar liet niks blijken. “Natuurlijk wil ik je geloven. Maar een moord. Dat klonk destijds zo verschrikkelijk ongeloofwaardig. Welke vader zou zijn eigen kind van het leven beroven? Bovendien had zelf redenen voldoende om een einde te maken aan je leven. Iedereen geloofde in de oprechtheid van je vader”. “Mijn vader is een grote leugenaar”, schreeuwde Cuba het uit. “Híj liet mij dat briefje schrijven net voordat hij het touw om mijn nek legde. Ik heb gehuild, ik heb hem gesmeekt om het niet te doen. Ik weet nog dat ik tegen hem aangekropen ben van angst …” Opnieuw barstte mijn jonge vriendje in tranen uit. De openbaringen hielden niet op en hij kneep mij herhaaldelijk fel in mijn bovenbeen terwijl hij onderwijl furieus met zijn voet tegen het dashboard schopte dat jammerlijk kreunde onder de vele aanvallen die het in snel tempo te verduren kreeg. “Ik kon nauwelijks het papier zien waarop ik mijn afscheid moest schrijven”, snikte hij door. “De pen waarmee ik moest schrijven viel telkens uit mijn handen. Mijn God, ik was zo verschrikkelijk bang. Ik haatte mijn vader maar ik hield ook van hem. Maar hij werd steeds kwader op mij omdat de pen steeds op de grond viel”. “Stil maar jongen. Ik ben bij je, er zal niks meer met je gebeuren”. “Dat weet ik maar er was niemand die zag wat er met mij gebeurde. Ik heb geschreeuwd, zo hard geschreeuwd dat mijn keel er pijn van deed. Iemand moet dat toch gehoord hebben? Waarom kwam niemand mij toen helpen?”. Hij liet mij geen twijfel dat zijn verhaal uit juiste feiten was opgebouwd. Uit de krantenartikelen had ik kunnen opmaken dat de buren die aan weerszijden van hun huis woonden niet thuis waren geweest omdat zij deel hadden genomen aan een vergadering van het buurtgenootschap. Ik vervloekte de doortraptheid van de vader van Cuba. Hij had het kennelijk het juiste moment afgewacht om te handelen. “Niemand heeft je geschreeuw kunnen horen. Als dit wél het geval was geweest dan was je zeker door iemand gered”. “Maar waarom heeft mijn vader mij dan niet gehoord? Hij was toch niet doof voor mij? Ik heb hem toch aangeboden dat ik mijn leven zou beteren? Ik wilde alles voor hem doen. Hij kon mij opdragen wat hij wilde. En wat heeft hij gewonnen? Niks, helemaal niks. Ik waste zijn kleren, zorgde voor zijn eten en deed de boodschappen. Nu moet hij dat allemaal alleen doen. Lekker, net goed voor hem”. Zijn laatste woorden hadden verbitterd geklonken, trefzeker maar de woorden waren ook doordrenkt van haat. Uit zijn verhaal kon ik evenwel ook distilleren dat Cuba waanzinnig veel om zijn vader had gegeven en dat de onmenselijke handelingen die hem waren overkomen voor hem nooit te overwonnen waren geweest, zelfs niet als hij was blijven leven. Misschien was de dood wel de meest geschiktste oplossing voor hen beiden geweest maar ik wist met stelligheid dat de eeuwigheid de verkeerde persoon had getroffen. “Een vader kan zich geen betere zoon toewensen. Ik weet dat je meer dan je best hebt gedaan om de situatie te redden. Daar heb ik absoluut geen twijfels over. Je vader moet werkelijk blind zijn geweest voor de liefde die je hem aanreikte. Mijn God, ik had gewild dat ik daar ter plekke was geweest dan zou dit allemaal niet hebben plaatsgevonden”. Net toen ik dacht dat Twinkeltje zich enigszins had herpakt begon hij opnieuw te huilen en drukte zich andermaal stevig tegen mij aan. Ik liet het tranendal gelaten over mij heen komen en streek hem zachtjes door zijn haren. “Ik ben zo bang geweest. Zo verschrikkelijk bang”. Het enige dat ik op dit ogenblik kon opbrengen was een korte bevestigende knikbeweging van mij hoofd, maar dat kon Cuba niet zien maar hij moet het welhaast gevoeld hebben want wij waren tot één versmolten in zijn verdriet. “Het touw. Ik stond op de kruk en heb hem nog voor een laatste maal gesmeekt om te mogen blijven leven. Ik zou mijn best doen maar het kon hem allemaal niet schelen. Hij dacht dat ik niet meer van hem hield omdat ik met die andere mannen was meegegaan”. Hij dacht dat ik niet meer van hem hield – Hij dacht dat ik niet meer van hem hield - Hij dacht dat ik … De zin dreunden onophoudelijk na in mijn hoofd. Misschien waren dit wel dezelfde gedachten die mijn vader had gehad toen ik afscheid nam van mijn huis omdat ik liefde bij hem zocht en maar niet kon vinden. Wellicht waren de rollen anders geweest dan ik mij al die tijd had voorgesteld en was híj degene die zich in de steek gelaten voelde. Hij heeft dat alleen nooit kunnen verwoorden, misschien omdat hij heeft aangenomen dat hij had gefaald. Ik durfde niet meer te denken en luisterde naar het huilen van Cuba. “Cuba, lieve jongen. Ik hou van je. Als hij dat had gezegd dan zou ik het hem vergeven hebben. Maar hij schopte die kruk hard zo verschrikkelijk hard onder mij vandaan zodat ik geen enkele kans had”. Tranen welden in mij op en versluierden mijn woede. Hij vertelde míjn verhaal, het was míjn vader die mij vermoord had, alleen … bij Cuba was het écht overkomen. Wíj waren het jonge leven, en wíj waren de stille prinsen in afwachting van de goede eigenschappen van het leven. Wíj waren samen één geroepen godenkind dat nog zo volvoerd was van naïeve hoop. Hoe pijnlijk was het wachtten met opengesperde handen om de liefde van het leven te oogsten. Maar de handen bleven leeg. Ik huilde en dat doe ik nog steeds als ik denk aan de teleurstelling van onbeantwoorde liefde terwijl hij, mijn vader, er waarschijnlijk op zijn manier ook zijn best voor heeft gedaan om mij datgene te geven waarom ik vroeg. Maar ik was doof en blind waarbij ik ook het geduld niet kon opbrengen om te wachten tot het moment dat één van ons zou zeggen: ik hou van jou. Hij was moegestreden, té moegestreden. Hij was aangevreten door de vermoeienissen van een leven dat voor hém ook niet makkelijk was geweest. Vergeef mij vader dat ik het nu pas zeg maar God zal mijn woorden en mijn liefde naar je toe brengen. IK HOU VAN JE. Het lichaam van Cuba rilde tegen mij aan. Mijn overhemd was nat geworden door zijn tranen maar het hinderde mij niet. Op de één of andere manier was ik kwaad op mijzelf omdat mijn gedachten waren afgedwaald naar mijn eigen problematiek. Ik verweet mijzelf aldoor egoïstisch te zijn en dwong mijzelf hardnekkig om te luisteren naar zíjn verhaal. Het was duidelijk dat Cuba mij nodig had om zijn vertwijfeling te kunnen overwinnen. “Ik weet niet wie je naar mij heeft gestuurd, lieve Cuba. Maar wie het ook is, hij heeft er goed aan gedaan om je in contact met mij te brengen. Hij heeft gelijk want waarschijnlijk heb ik de sleutel in handen om je verhaal tot een goed einde te brengen”. “Sleutel?”, snikte hij. “Ja. Ik heb je nog een stukje verhaal over je vader toe te voegen”. “Ik heb toch al gezegd dat ik niks meer van die moordenaar wil weten”, schreeuwde hij ontzet. “Dat heb je inderdaad gezegd, maar toch wil ik dat je luistert want hebt niet zonder redenen bij mij aangeklopt”. Even stopten de tranen en Cuba zweeg terwijl hij mij strak en boos aankeek. Zijn gezichtje zat onder de vegen en zijn ogen waren dieprood gekleurd door het huilen. Maar ik voelde dat hij grenzeloos vertrouwen in mij stelde al zal hij zelf ook niet begrepen hebben waarom. Wij waren niet zonder reden bij elkaar gebracht. “Cuba. Je vader was een ongelofelijk getergde en verbitterde man toen hij besloot om jou van het leven te beroven. Ik kan zijn daad niet goedpraten maar het verlies van zijn vrouw, jouw moeder, in combinatie met de problemen die jij aandroeg en de drank maakte hem tot een wereldvreemde persoon. Hij had een teveel aan liefde en kon dat niet meer tot uitdrukking brengen”. “Oh, ja. Ga jij hem nu nog een beetje verdedigen”, spotte hij. Begrijp je dan echt niet wat hij mij heeft aangedaan?” “Dat weet ik maar al te goed. Maar wat jíj niet weet is hoe hij er voor gevochten heeft om zijn leven weer op peil te brengen”. “Hij zal mij daarbij vast vergeten hebben. Je denkt toch niet dat er één moment zal zijn dat ik in zijn gedachten zal zijn?” “Daar kan je jezelf goed in vergissen. Je bent elke dag in zijn gedachten”. “Waarom voel ik dit dan niet?” “Omdat je hem geen nieuwe kans wilt geven”. “Moet dat dan? Hij heeft mij vernietigd als een stuk vuil. Ik was niet meer dan een hoerenkind voor hem. Jij bent net zo’n galbak als hij als je het voor hem opneemt”. Ik merkte dat Cuba aanstalten maakte om uit de situatie weg te lopen. Hij had zich al omgedraaid en zocht trillend van woedde en onbegrip naar de greep om de portier van mijn wagen te openen. “Luister nu eens”, pakte ik hem bij zijn pols vast. “Ik luister nooit meer naar jou”, stribbelde hij tegen. “Ik vertrouwde jou, maar jij probeert mij één of ander verhaaltje op de mouw te spelden”. “Oké, dan spreken wij dit af: Ik maak mijn verhaal af en als je mij niet gelooft dan mag je vertrekken. Ik zal je zelfs voldoende geld meegeven om naar Nederland af te reizen. Is dat een deal?”. Cuba antwoordde niet maar liet zich weer terug zakken in de kussen van de stoel en sloeg zijn armen provocerend over elkaar terwijl hij mij kwaad aankeek. Hij was boos en ik vroeg mij af of ik hem nog met woorden kon bereiken. “Na je dood heeft je vader een tijdje doorgebracht in een afkickcentrum om van de drank af te komen. Dat is hem gelukt maar zijn leven was gebroken. De mensen zagen hem zienderogen ouder worden en er was niemand die dit proces kon afstoppen. Hij is verteerd door verdriet, hij mist je”. “Nou en?”, onderbrak Twinkeltje mij pissig. “Waarom moet ik naar je verhaal luisteren? Het stelt niks voor”. “Wacht. Er komt meer”. “Nog meer onzin?”, siste mijn jonge vriendje op een verachtelijke wijze terwijl hij wegwerpgebaren met zijn hand maakte. “Elke dag gaat je vader naar jouw graf toe om je om vergeving te vragen voor datgene dat hij jou heeft aangedaan. Elke dag weer neemt hij verse bloemen mee en verzorgt je graf en woelt het onkruid weg met zijn blote handen. Sommige mensen zeggen dat hij op je graf zal sterven en ik weet dat dit zijn wens is. Ik heb hem een aantal maanden nog gesproken en hij vertrouwde mij toe dat hij in een wonder van God geloofde. Dat is het enige waarvoor hij nog leeft. Hij wacht op je, Cuba. Hij wacht op je om te kunnen zeggen dat hij van je houdt”. “Is dat écht waar?”, draaide Cuba zijn hoofd snel weg om mij niet te laten zien dat mijn woorden hem hadden geraakt. “Zo wáár als ik hier voor je zit”. “Je liegt”, vroeg hij om een bevestiging. “Dat doe ik zeker niet. Ik heb nog nooit tegen je gelogen”. Ik zag hoe de hoop opnieuw in hem groeide en zijn vertwijfeling probeerde te ontzetten. Zijn tengere lichaam begon weer te stralen en op zijn gezicht verscheen langzaam een flauwe glimlach. Daarna trok een zweem van geluk de vermoeide plooien recht en vloog hij mij rechtstreeks in de armen. Hij knuffelde, hij knuffelde zo vreselijk intens alsof dit zijn laatste daad was die hij op deze wereld vol maken. “Mijn vader houdt van mij, mijn vader houdt van mij”, juichte hij en zwaaide de portier van mijn wagen open en danste vol vreugde door de plassen. Ik stapte uit en voelde hernieuwde blijdschap in mijn hart stromen. “Hij houdt niet alleen zomaar van je, hij mist je ook”, deelde ik in de vreugde mee. Plotseling rinkelde de telefoon. “Je Treo gaat af”, wees Twinkeltje naar de wagen. “Zal ik opnemen?”, vroeg ik. “Eigenlijk heb ik daar niet zoveel zin in”. “Ik zou het maar doen als ik jouw was. Het is … eh …ja … misschien wel iemand die een minder leuke mededeling voor je heeft”. Ik sperde mijn ogen wijd open en keek Cuba vernietigend aan. Het ventje boog zijn hoofd waardoor ik kon opmaken dat hij méér wist dan hij wilde zeggen. Ik liep op hem toe en pakte hem bij zijn schouders. Op de achtergrond rinkelde de telefoon onverstoorbaar door. “Wat heb je mij nog niet verteld? Godverdomme. Is dit je dank? Wat staat mij nog meer voor ellende te wachten?”. “Doe snel”, gebaarde hij naar de wagen. “Oké. Ik neem op maar als dit betekent dat je wat voor mij verborgen houdt dan zal je er van lusten”. Ik sleurde hem mee naar de auto en zocht naar de Treo die ik eerder op de avond in de Twins modus had gezet om zodoende een natuurgetrouwe kopie van mijzelf te laten deel nemen aan een vergadering. Normaal gesproken zou ik pas de volgende morgen op de hoogte gesteld worden van de vorderingen maar ik vreesde dat er iets mis was gegaan met mijn kunstmatige alter ego. Een korte check op het display gaf mij een echter een onbekend nummer en kon ik opmaken dat het gesprek uit Frankrijk moest komen. “Neem nou op”, probeerde Twinkeltje mij te versnellen. “Ik neem de situatie even in mij op. Mag dat?” Het ventje haalde zijn schouders op. “Ik heb je gewaarschuwd, het is belangrijk”. “Kwestie van leven of dood?”, keek ik hem aan. “Zoiets ja”. “Na dit gesprek heb jij mij heel wat uit te leggen. Volgens mij weet je hier meer van”. “Zal wel”, antwoordde hij kort maar niet ontkennend. Veel meer tijd was mij niet gegund. Ik was te laat en hoorde hoe het rinkelende geluid langzaam wegstierf in de donkere nacht. Ik voelde hoe er een beklemmende spanning tussen Twinkeltje en mij was ontstaan en wilde hem daar juist op aanspreken maar werd gehinderd omdat de Treo opnieuw aankondigde dat er iemand was die mij wilde spreken. Het was dezelfde beller. Ik nam bruusk op. “Jolly”, klonk een vrouwenstem. “Godverdomme Madame Jolly. Sodemieter op, je verziekt mijn avond. Je weet toch dat je mij alleen in noodsituaties mag bellen? De politie zal mij zo op het spoor zijn. Ik heb je mijn telefoonnummer in puur vertrouwen gegeven. Maak daar dan geen misbruik van”. “Jezus man, wat klink jij opgewonden”, antwoordde de hotelhoudster nadat ze mij had laten uitrazen. “Je denkt toch niet dat ik je zómaar ga bellen? Als ik telefoonseks wil hebben dan bel ik wel met een prettiger persoon”. “Oké, oké. Sorry, ik was een beetje gespannen. Vertel maar, wat is het slechte nieuws?” “Ik weet niet echt goed hoe ik het je moet vertellen. Het gaat niet zo best met Jérôme. De doktoren uit het ziekenhuis weten niet of hij het gaat halen. Misschien, als je snel bent, heel snel dan …” Mijn adem stokte in mijn keel en ik voelde mij volkomen verlamd. De gekte had toegeslagen. Op dat ene ogenblik drong het als een schok tot mij door wat Jérôme voor mij betekende. Zonder hém zou het leven nooit meer hetzelfde kunnen worden. Ik liet mij op mijn knieën neerzakken terwijl ik de Treo naast mij op de grond hoorde neerploffen. Met mijn armen gespreid hief ik het hoofd vol verontwaardiging naar de hemel. Ik wist het, ik had dat ventje dat Cuba heette nooit moeten meenemen. Sinds hij mijn leven was binnengewandeld ging alles verkeerd en stapelden de problemen elkaar in razend tempo op. Sommigen van die problemen kon ik de baas maar als ik Jérôme zou verliezen dan zou dat werkelijk als een genadeslag aanvoelen. “Ben je daar nog?”, klonk het aan de andere kant. “Ja. Ja”, mompelde ik terwijl ik rond mij naar de Treo zocht en ontdekte dat Twinkeltje het hoofd vol schuldgevoelens had gebogen. Hij durfde mij niet aan te kijken waardoor ik een bevestiging kreeg dat er een minutieus van te voren geraamd plan lag. Niks was kennelijk aan het toeval overgelaten. De gebeurtenissen sloten naadloos op elkaar aan. Ik had al mijn krachten aan Cuba gegeven en nu volgde er nog een finale die een ware marteling voor mij inhield. “Is dít wat je wilt?”, vroeg ik en schrok omdat mijn stem oversloeg. “Is dít wat je werkelijk van plan bent geweest? Je wilt mij natuurlijk voor jezelf houden en laat daarom mijn beste vriend, degene van ik écht houdt, doodgaan. Ik haat je, werkelijk ik haat je”. Twinkeltje schudde kort het hoofd maar durfde geen weerwoord te geven. “Als er iets met hem gebeurt dan zal ik met mijn vingers je darmen uit je lijf pulken. Dit zal ik net zolang doen tot je de schade herstelt die je aanricht. En mocht dat niet lukken dan zal ik zorgen dat je nooit meer iemand kan benadelen”. “Hallo. Ben je daar nog”, hoorde ik Madame Jolly. “Tegen wie praat je?” Ik pakte de Treo die vlak naast een plas was neergevallen en drukte het luistergedeelte tegen mijn oor. Daarna schraapte ik mijn keel en probeerde om zo kalm mogelijk over te komen. Het verwonderde mij dat Madame Jolly niet woordelijk had kunnen volgen wat ik tegen Twinkeltje had gezegd. Kennelijk waren die opmerkingen aan haar voorbij gegaan. “Ja, hier ben ik”. “Gelukkig. Je bent wel behoorlijk van slag hé?”. “Tamelijk. Ik ben niet zo’n held in het in ontvangst nemen van doodstijdingen”. “Wie niet?”, klonk ze bezorgd. “Jérôme heeft om je gevraagd. Hij wilt dat je komt”. “Vertel mij liever eerst wat er is gebeurd dan kan ik mij er op voorbereiden. Dit nieuws komt als een donderslag bij heldere hemel”. “Voor mij ook. Van de week heb ik hem nog gezien en gesproken. Toen leek hij mij nog kerngezond. Maar daarna is het ineens heel slecht met hem gegaan. Hij werd ziek en nu blijkt dat zijn nieren nauwelijks meer werken. Als de doctoren niet snel een donor voor hem vinden dan zal het snel met hem zijn gebeurd”. “Mijn God. Ik kan toch die donor voor hem zijn? Ik bedoel … Jérôme betekent alles voor mij. Zonder hem is alles nutteloos”. “Doelloos”, herstelde Madame Jolly mijn woordkeuze. “Nou ja, wat dan ook. Doelloos dan”. Het verbaasde mij dat Madame Jolly ook op dit soort momenten volhardde om mijn woorden te corrigeren. Aannemelijk was dat dit een automatisme van haar geworden en waarschijnlijk had ze daar zelf geen erg meer in. Onder normale omstandigheden zou ik haar taallessen gelaten over mij heen hebben laten gaan maar nu klonken haar woorden hinderlijk. Ik ergerde mij eraan. “Zal ik zijn ouders bellen dat je er aan komt?” “Ja, doe dat maar. Binnen een uurtje ben ik bij je. Bel ondertussen ook naar het ziekenhuis dan kunnen ze een operatiekamer vrij houden. Jérôme moet geholpen worden”. Ik had nooit verwacht dat ik zo snel zou kunnen besluiten om een nier af te staan maar de tijd liet mij geen keuzes. Er moest snel gehandeld worden want er was een mensenleven mee gemoeid. Ik draaide mij om en greep Twinkeltje bij zijn kraag en duwde hem naar de wagen. Hij spartelde heftig tegen en schreeuwde moord en brand. Maar het mocht hem niet baten omdat ik vastberaden was om hem mee te nemen. Als hij hiertoe de aanleiding was geweest dan zou hij er van lusten. Toen wij zaten draaide ik mijn gezicht naar mij toe. “In godsnaam zeg mij dat dit niet waar is. Ik heb maar één vraag voor je, ik smeek het je zelfs, laat mijn vriendje in leven. Ik hou van hem”. “Weet je dat zeker?”, stamelde hij. “Natuurlijk weet ik dat zeker. Ik godsnaam, je kent vast wel één of andere magische trucje om hem er weer bovenop te krijgen. Bedenk wat, of doe wat. Het kan mij niet schelen wat, als het maar helpt”. “Ik denk mij rot”, antwoordde hij zenuwachtig. “ Maar ik denk niet dat ik jullie kan helpen. In ieder geval hoef je jezelf niet te haasten”. “Wat bedoel je daar nu weer mee? Bedoel je dat we te laat zullen komen of bedoel je dat Jérôme al dood is?” “Kijk maar naar je Treo”. “Wat heb ik daar aan? Geef mij eens een rechtstreeks antwoord op mijn vraag”. “Kijk dan”. Ik pakte de Treo op waardoor het lichtje achter het display automatisch begon te branden. Het rode lampje flikkerde op en ik kon aflezen dat er vier ingesproken berichten stonden te wachten op mijn antwoordapparaat. Plotseling drong het tot mij door dat het gesprek met Madame Jolly tot een onmogelijkheid moest behoren. Als het antwoord apparaat aanstond dan had ze mij nooit kunnen bereiken. “Is dit het?”, vroeg ik teleurgesteld terwijl ik op de boodschappen indicator wees. Twinkeltje schudde het hoofd. “Zie je het nu nog steeds niet?” “Godverdomme, help mij dan. Wat moet ik dan in Jezus naam zien?”. “Heb je naar de datum gekeken?”. Het volgende ogenblik was ik opnieuw sprakeloos en schudde de Treo heen en weer omdat ik verwachtte dat hij defect was gegaan. De datum op de display gaf een tijd aan die vijftien jaren verder lag. “Jouw Treo is niet stuk”, mompelde Twinkeltje. “Je hebt een gesprek gehoord dat nog moet gaan plaatsvinden. Het duurt nog vijftien jaar voordat Madame Jolly je opbelt om je dit te vertellen”. Ik schakelde de Treo uit om niet opnieuw lastig gevallen te worden en legde het apparaat voorzichtig in het dashboardkastje. Daarna keek ik Cuba dwingend aan, het werd nu tijd voor hem om mij écht te vertellen wie hij was en wat hij hier kwam doen. Als het moest zou ik hem daartoe dwingen. Wordt vervolgd Johnny 6 mei 2004
Alle teksten ressorteren onder JRvanDriel©copyright, tenzij anders is aangegeven. Niets van deze pagina mag elders worden geplaatst tenzij nadrukkelijke toestemming van de auteur is verleend. De teksten mogen ook niet gewijzigd, ingekort of verpersoonlijkt worden. |
|
Johnny |