Johnny, Vastgevroren water intro - 1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7
|
Oorspronkelijke titel: een kleine lifter “Jij hebt het allemaal niet steeds niet goed kunnen verwerken?”, fluisterde Twinkeltje bezorgd. “Nee, de situaties waren té verwarrend en degene van wie ik hield werd uiteindelijk onbereikbaar voor mij. Pas heel laat besefte ik dat ik van meet af aan gebruikt was en gemanipuleerd werd”. “Triest”, onderstreepte de jongen mijn korte uitleg. “Misschien wil je er nu wel over vertellen”. “Ik weet het niet. Misschien durf ik het niet zo goed”. “Je weet nu toch wie ik ben en je weet ook dat wij dezelfde situaties hebben meegemaakt. Wat heb je uiteindelijk te verliezen als je iemand vertelt wat je werkelijk dwars zit. Het kan opluchting brengen”. “Godverdomme, wat maak jij het mij moeilijk. Wat wil je horen? Hoe vaak ik seks heb gehad?” “Nee, dat deel ken ik al omdat ik het zelf heb beleefd. Ik heb je verteld hoe de contacten bij mij zijn beëindigd, misschien is het goed als jij aan mij vertelt waardoor jij gedwongen was om te stoppen”. Ik staarde voor mij uit en probeerde kracht te putten uit zijn woorden. Natuurlijk had Cuba gelijk, ik had al zolang gezwegen en ik wist dat er ooit een tijd zou aanbreken dat ik mijn levensverhaal aan iemand anders zou overdragen. Maar ik had liever nog wat willen wachten tot het geschikte moment. Misschien was dit wel het moment waarop ik gewacht had, maar de moed ontbrak mij. De schaamte en de angst overheersten mij. “Toe”, moedigde Twinkeltje mij opnieuw aan. “Je weet al zoveel van mij. Het moet nu niet zo moeilijk meer zijn om iets over jezelf te vertellen”. “Nee, ik vertel je niks”, schreeuwde ik het uit. “Helemaal niks”. “Dat zou jammer zijn, want ik heb je ook nog een geheim te vertellen. Als je mij je verhaal laat horen dan zal ik je ook de waarheid vertellen over mijn zelfmoord. Je weet lang nog niet alles”. “Heb je mij dan nog niet alles verteld? Ik dacht dat ik alles wist” Hij schudde zijn hoofd waardoor zijn blonde lokken vrolijk op en neer dansten. Maar zijn ogen stonden dof en het traanvocht welde langzaam op. Hij boog zijn hoofdje maar ik ondersteunde zijn kin met mijn hand en keek hem dwingend aan. “Wat heb je nog meer op je lever?” “Eerst jij. Jij moet eerst vertellen”. “Ik heb je toch al eerder verteld dat ik er nog niet aan toe bent om mijn verleden met iemand te delen. Zeker niet met jou, je bent nog zo jong”. “Maar ik ben misschien wel de enige die je begrijpt. Ik heb hetzelfde meegemaakt”. “Dat is waar, maar …” “Denk er dan aan. Ik zal je gedachten meelezen”. “ Kan je dat?” “Ja, dat heb ik geleerd. Er zal geen woord ontsnappen”. Ik sloot mij ogen en probeerde mij te concentreren. Ik besefte dat het moeilijk zou worden ondanks dat ik het verhaal niet verbaal hoefde op te rakelen. Terugdenken zou net zoveel pijn doen. Opnieuw voelde ik zijn handje op mijn been n ik genoot toen hij zachtjes begon te wrijven. Het voelde aan als steun, als een aanmoediging die ik nodig had om mij los te maken van mijn kwellende historie. Even later voelde ik hoe hij zijn hoofd vertrouwelijk tegen mijn arm drukte en merkte dat ik er aan toe was om mijn verhaal te vertellen. Cuba luisterde aandachtig naar mijn verhaal dat zich afspeelde op mijn vijftiende levensjaar. Ik volgde een middelbare opleiding en voetbalde na schooltijd nog wat met vriendjes op het plein. Door het licht dat op de gangen scheen was het gedeelte voor school rijkelijk verlicht en we waanden onszelf in de schijnwerpers van een gigantisch voetbalstadion. Ofschoon ik op die leeftijd al regelmatig geblesseerd was geweest kon ik nog best meekomen al was mijn wendbaarheid al beperkter dan voorheen. De grote blessures zouden pas later komen. Misschien was het wel een vorm van bescherming dat ik liever tegen brugklassers speelde. Hun fysieke krachten waren nog niet zo ver ontwikkelt dat ze me makkelijk onderuit konden schoppen. Bovendien voelde ik me thuis bij hen. Het jongensachtige gepraat, het zoeken naar grenzen en hun nog nauwelijks gekreukte gevoel voor onvoorwaardelijke vriendschap waren belangrijke voedingstoffen voor me. Om die redenen wilde ik graag bij ze zijn. Ik wilde mij ook onder hun scharen om te luisteren naar hun verhalen over de dagelijkse dingen die ze meemaakten. Ik wilde alles met volle teugen mee beleven. Ik voelde me sterk als ze tegen me opkeken en het gaf me zelfvertrouwen wanneer ze me vroegen of ik hun leider kon zijn. Al was het alleen maar omdat ze me bewonderden vanwege mijn behendige voetbalcapaciteiten. Die dag voelde ik me lekker en wist regelmatig langs mijn jongere vrienden te glippen om de bal tussen de jassen, die dienst deden als doelpalen, te schieten. We stonden vóór, ruim vóór op de tegenpartij en we zouden waarschijnlijk niet meer ingehaald worden omdat de conciërge spoedig het gebouw zou verlaten en de lichten zou uitdoen. De duisternis zou het laatste fluitsignaal zijn van een partijtje dat ik me nog lang zou kunnen heugen. Die dag bepaalde het lot anders en ik zou het speelveld eerder verlaten. Toen ik een snelle wending maakte en met mijn gezicht naar het hek gericht was dat toegang gaf op het schoolplein zag ik hem. Mijn hart klopte in mijn keel en ik voelde hoe mijn lichaam verstijfde. De man die ik zag grijnsde als een winnaar. Met zijn handen diep in zijn zakken gestoken lachte hij als een ware triomfator die op een sadistische wijze schik had omdat al mijn vluchtwegen waren afgesloten. Hij had me gevonden. Dit was het moment waarin hij de touwtjes in handen had. Zijn naam was Dirk. Hij wenkte vriendelijk naar me. Het was beter geweest als ik de school was binnengelopen om de conciërge te waarschuwen maar ik durfde niet. De angst ondermijnde elke logische stap die ik zou moeten ondernemen. Bovendien had ik van Dirk geleerd dat er minstens twee manieren waren om met mensen om te gaan die boos op me waren. Eén optie was om die personen een tijdje rust te gunnen waardoor ze konden kalmeren. Het verdiende dan ook aanbeveling om in dergelijke situaties een tijdje bij hen uit hun buurt te blijven. De andere optie pleitte juist voor een dichtbijzijn waardoor problemen zo snel mogelijk opgelost konden worden. Aanvankelijk had ik voor de eerste mogelijkheid gekozen om aan te geven dat ik de dreiging van Dirk zat was. Ik wist dat ik Dirk hiermee kon manipuleren. Dikwijls waren enkele weekjes van rust al voldoende om hem te laten inzien dat hij te bruusk met me was omgegaan. Uit de praktijk was gebleken dat deze strategie hielp. Ik kende zijn blijdschap en vriendelijkheid dan ook als we elkaar weer terugzagen na een korte periode van afwezigheid. Hij was dan weer even die liefdevolle en zorgzame man van het eerste uur en probeerde zijn dankbaarheid te tonen door het in overvloed geven van knuffels, geld en sigaretjes. Meestal duurde die periode niet lang. Ook bij hem zal er angst ten grondslag hebben gelegen aan zijn brute gedrag. Wellicht had hij te weinig zekerheid dat ik te vertrouwen was met de informatie over datgene dat zich afspeelde in het zwembad en daarbuiten. Ik heb dat nooit in hem begrepen omdat juist ik degene was die aanvankelijk toenadering had gezocht en hem verteld had dat ik nooit iets over ons samenzijn zou vertellen. Desondanks bleef hij volharden in het tonen van zijn machtspositie om de situatie in alle volledigheid te controleren. Misschien dat er ook wel een stukje jaloezie om de hoek kwam kijken. De vriendschap die ik met Hans beleefde was zoveel malen beter en dit kon door hem als een afwijzing en bedreiging opgevat worden. Maar wellicht was hij alleen maar uit op zijn eigen lusten. In de komende weken zou ik ontdekken dat beide mannen een ingenieus rooster hadden bedacht om mij te ontmoetten. ‘Tijdje weggeweest?’, sprak Dirk bedenkelijk terwijl hij het laatste stukje van zijn nog brandende sigaret zo ver mogelijk bij hem vandaan weg piekte. Ik knikte en keek hem voor een ogenblik stilletjes aan. Hij was nog steeds dezelfde. Het stoppelbaardje, de leren jas die tot op zijn heupen hing en zijn doordringende ogen stonden als een zwart beeld in mijn gedachten geprojecteerd. Zijn handen trilden. ‘Is dat je vader?’, hoorde ik op de achtergrond. Ik draaide me om en besefte dat eigenlijk niemand van het scholencomplex mijn vader ooit had gezien. Ofschoon ik in materiële zaken nauwelijks iets te kort was gekomen moest ik de rest van mijn zaakjes zelf bedruipen. In situaties waarbij een ouder werd vereist werd steevast mijn moeder naar voren geschoven maar zij had al problemen genoeg met zichzelf. ‘Ja, dat is mijn vader’. ‘Moet je weg?’ ‘Ja, ik moet naar huis’. Even later voelde ik hoe Dirk zijn arm om mijn schouder legde. Voor de kinderen op het schoolplein had het iets vertrouwelijks, maar ik wist dat Dirk me daarmee de mogelijkheid afsnoepte om te ontvluchten zodra ik daartoe de kans zou zien. ‘Heb je iemand iets verteld?’ ‘Natuurlijk heb ik niemand iets verteld. Dat weet je toch’. ‘Ik weet alleen maar dat je plotseling bent weggebleven. Dat doe je niet zomaar’. ‘Ik was het gewoon eventjes zat’. ‘Was je mij zat?’ ‘Jou niet, maar wél dat dreigen en slaan. Daar moet je mee ophouden’. ‘Zulke dingen doe ik niet’, glimlachte hij. ‘Jawel’. Op het stille stuk probeerde ik weg te komen maar ik voelde dat hij me stevig bij mijn kraag vasthield. Ik stribbelde nog wat tegen, maar hij duwde me voort naar de singel die om de hoek van de straat lag. Het had gevroren en er lag een dikke laag ijs op het water. Overdag werd er druk geschaatst, maar ’s avonds was de schaarse straatverlichting te ver af om veilig een tochtje over het ijs te kunnen maken. Nu was er niemand te bekennen. Misschien zouden de kinderen na etenstijd weer buitenkomen om hier te spelen. Dirk stond achter me en had zijn rechterhand op mijn borst gelegd. Ik voelde hoe hij mij tegen zich aan drukte en zag hoe hij de omgeving minutieus in zich op nam. Ik rook het leer van zijn jas, maar herkende ook de geur van alcohol. Dirk had gedronken. Hij was een scenario aan het schrijven voor de gebeurtenissen die zouden volgen maar zou geen rekening kunnen houden met enige inbreng van mijn kant. Ik wist dat hij dit niet zou toestaan. Hij wilde alleen maar zekerheid door te overheersen. Een moment later voelde ik hoe hij zijn linkerarm stijf om mijn keel sloeg. Ik hapte naar adem en probeerde me te ontworstelen maar zijn greep werd daarop allengs strakker. ‘Wij moeten eens even goed met elkaar praten, jochie’, hoorde ik hem praten. Zijn hand gleed naar zijn rechterjaszak en ik wist wat hij daar zou vinden. Enkele ogenblikken later knipte hij het mes open en hield het snijvlak tegen mijn koon. Waarschijnlijk plezierde het hem om te zien dat mijn ogen vochten werden. Ik verdomde het echter om te gaan huilen. Juist dan zou ik hem mijn zwakte tonen. ‘Ik maak me een beetje ongerust dat je gaat babbelen’. ‘Heb ik nog nooit gedaan. Heus, geloof me. Van het weekend ben ik er weer’. ‘Hm. Ik wacht al een paar weken op je. Maar er komt niemand opdagen’. ‘Ik ben toch wel eens meer een tijdje weg?’. ‘Ik geloof niet dat je mij begrijpt. Je moet er gewoon altijd zijn als ik je nodig hebt’. Tijdens het praten speelde hij met het mes en maakte voorzichtige scheerbewegingen langs mijn wang waarna hij het lemmet tegen mijn lippen legde. Hij lachte en bestudeerde hoe ik doorpraatte waardoor hij de indruk kreeg dat hij zijn dreigementen moest aanstrengen. Hij drukte het mes stevig tegen mijn keel. In werkelijk voelde ik angst en hij moet welhaast het versnelde kloppen van mijn hart hebben kunnen horen. In gedachte zag ik de wereld aan mij voorbijschieten en vervloekte het dat ik me met hem had ingelaten. Hij proefde mijn angst en genoot er van. ‘Ik beloof het je. Ik zal er weer elk weekend zijn’, schreeuwde ik wanhopig uit. Ik profiteerde van één moment van onbedachtzaamheid. Het was een godsgeschenk, een moment dat zich aanbood als een pijnlijke bevrijding. Ik wist aan zijn greep te ontkomen en tuimelde voorover. Hij schopte me en raakte mijn achterwerk waardoor ik als een raket werd afschoten op het ijs. Ik gleed op mijn buik, met mijn hoofd naar voren en probeerde vertwijfeld houvast te vinden. Niets lukte om de snelheid af te remmen of om mezelf om te draaien. De houten bekisting van de oever aan de andere kant van de singel kwam met een duizelingwekkende vaart op me af. Ik kon het niet keren. Met mijn hoofd knalde ik tegen het houtwerk. Daarna werd alles zwart. Toen het besef uiteindelijk weer helemaal was teruggekomen, duizelde ik nog volledig. Ik bemerkte dat ik zwalkend op de bagagedrager van een fiets zat. Iemand had me achterop genomen en had de grootste moeite om de tweewieler in balans te houden. Naast hem, aan de binnenkant, reed een ander persoon die onze bewegingen behoedzaam in de gaten hield. Zijn handen hield hij aan de remmen om snel vaart te kunnen minderen als het fout dreigde te gaan. Ik legde mijn hoofd op de rug van de fietser. ‘Wie zijn jullie?’, vocht ik tegen een opkomende misselijkheid. ‘We hebben je op het ijs gevonden en naar school gebracht’. ‘Naar school?’, herhaalde ik de woorden. ‘De conciërge heeft ons verteld waar je woont en nu brengen we je naar huis’. ‘Waar is Dirk?’, draaide ik schielijk mij hoofd om. Ik werd onmiddellijk gestraft door een ferme pijnscheut die van mijn voorhoofd doortrok tot aan het kruintje van mijn haar. Niemand was ons gevolgd. Dirk was kennelijk gevlucht en had me voor dood achtergelaten op het ijs. Zijn lafheid was karakteristiek. Maar waarschijnlijk had hij gemeend zijn doel te hebben bereikt. Ik vroeg me af of hij ooit geweten heeft dat ik weer zou opstaan. De rest van de weg verliep langzaam. Ik keek naar de straattegels die onder ons door schoten en probeerde zo rustig mogelijk te blijven zitten. Ondertussen probeerde ik een stukje geheugen terug te vinden, maar de gang van het ijs tot aan de school is tot op heden onvindbaar gebleven. Blanco, volkomen uitgewist. Alle handelingen heb ik waarschijnlijk vol automatisch volbracht. Dit was kennelijk bij niemand opgevallen. Nog twee straten restte ons tot huis. Voor de deur stapte ik af en bedankte de personen die me naar huis hadden gebracht. Hun gezichten en hun namen ben ik vergeten, maar ik was ze dankbaar voor hun zorg en bemoeienis. Op de trap bedacht ik me dat ze correct hadden gehandeld. Jammer dat ze niet eerder aanwezig waren geweest om het voorval met Dirk te kunnen zien. Dan had ik niet alleen gestaan in mijn beweringen. Alles wat ik nu zou vertellen zou onverbiddelijk van tafel worden geveegd onder het motto dat ik een smoes zou hebben verzonnen om mezelf in te dekken voor mijn late thuiskomst. Het is een algemeen verschijnsel dat een leugen eerder wordt geaccepteerd dan de waarheid. Mijn moeder zag het gelijk toen ik de huiskamer kwam binnengelopen. Ze had het al eerder meegemaakt dat ik met een hersenschudding was thuisgekomen en kende alle symptomen. Snel maakte zij het bed op in de tussenkamer en ontdeed me van mijn kleren. Ik liet me alles welgevallen en verlangde er naar om te gaan slapen. Ik was vermoeid tot op het bot. Niet alleen van de klap die ik met mijn hoofd tegen de houten had gemaakt, maar ik was ook vermoeid van de spanningen die vooraf waren gegaan. Met mijn hand zocht ik naar een kussen maar die had moeder weggelegd. Ik wist het: een hersenschudding. Zes weken rust. Maar ik voelde me te misselijk om me daarover zorgen te maken. In de tijd waarin ik opgroeide waren de opvatting over het herstel van een hersenschudding zeer afwijkend ten opzichte van de huidige stellingen. Er werden absoluut geen risico’s genomen en er volgde een periode van zes weken rust, waarvan vier weken in volstrekte duisternis. Slapen, rusten en een langzaam revalidatie programma voor de laatste twee weken. Telkens mocht ik een half uurtje langer opblijven en uiteindelijk mocht ik de straat weer op. Alles leek nieuw, de stenen in de muren van de huizen, de gordijnen bij de buren en het metaal van een fiets die schitterde in een flauw zonnetje. Ik had het straatbeeld zo lang gemist dat ik er openieuw met volle teugen van kon genieten. De eerste keer mocht ik niet zo lang wegblijven en ik wandelde wat rond in de buurt. Voetballen was me nog verboden maar gelukkig was ik weer in de gelegenheid om er naar te kijken. Mijn kameraden op het pleintje waren verheugd om me weer te zien en dromden om me heen en vroegen me naar wat er gebeurd was. Ik hield me schuil en vertelde dat ik was gevallen tijdens het ‘ijspiepen’ en daar liet ik het bij. Ik vond het interessanter om te luisteren naar de verhalen over wat er de laatste anderhalve maand had plaatsgevonden. Ik had teveel gemist. Natuurlijk had ik ook Hans gemist en bedacht een manier om hem weer te zien. Het contact zou ditmaal op een andere manier tot stand moeten komen want ik durfde Dirk niet meer onder ogen te komen. Bang dat ik was dat er nog meer geweld zou volgen en ik was vastberaden dat ik dat stukje nooit meer wilde meemaken. Toch moest er een oplossing zijn en de volgende zondag was de eerste gelegenheid om weer contact met hem te maken. Misschien konden we dan wel weer een stukje gaan rijden in zijn auto en naar het bos gaan om op een stille plek te genieten van ons samen zijn. Vlak voor de openingstijd van het zwembad had ik mijzelf in een portiek verschanst welke een goed overzicht gaf op de entree en de badgasten die geduldig stonden te wachten tot de deuren geopend zouden worden. Ik voelde me een spion omdat niemand me kon zien in de schaduw van de portiek, terwijl ik wél in staat was om heimelijk alle bewegingen van de mensen nauwlettend te bestuderen. Ik herkende bijna alle personen, net zo goed als dat ik iedereen uit de buurt kende en ook ik geen onbekende voor hen was. De deur ging open en de eerste mensen gingen naar binnen. Hans en Dirk waren echter nergens te zien. Ik wachtte en er verstreek nog een half uur waarop ik besloot om naar huis toe te gaan. Plotseling verschenen zij aan het einde van de straat. Pratend, in gezelschap van elkaar. Mijn hart bonkte in mijn keel en ik trok me verder terug in de schaduw van de portiek. Ik zag dat er een jongetje naast hun liep. Hij was vrolijk en goedlachs. Hij stoeide met de mannen die hem aanhaalde en door zijn haar woelden. Hij was dus hun nieuwe vriendje. Ik was vergeten. Ik weet niet wat mij losscheurde uit mijn dwaaltocht door de tijd. Wellicht was het de pijn door zo intens aan het verleden terug te denken maar eerder denk ik dat ik werd teruggeroepen door de tedere kus die Twinkeltje op mijn wang had gegeven. “Je hield écht waanzinnig veel van Hans”, sprak hij zachtjes. “Waanzinnig veel en misschien hou ik nog steeds van hem. Ik zou alles voor hem doen om bij hem te kunnen blijven”, antwoordde ik. “Dat heb je ook gedaan. Je hebt alles aan hem weggeven terwijl je toch wist dat hij op een andere manier van je hield dan jij wilde”. “Misschien als Dirk er niet was geweest …” “ … dan zou hij iemand anders hebben gevonden om je onder dwang te zetten. Deze mannen zijn nauwelijks een vriendschap waard”. “Misschien …”, pruttelde ik wat na en droomde opnieuw langzaam weg, maar niet voor lang. “Denk liever aan Jérôme. Hij is een jongen net als jij. Hij hunkert er naar om bij je te zijn en heeft daar alles voor over. Eén woord van jou zou hem dolgelukkig maken”. “Ik heb je toch al gezegd dat ik van hem hou”. “Hou je écht van hem of zég je dat alleen maar?” “Natuurlijk hou ik écht van hem. Mijn hart jubelt elke keer van vreugde als ik na het weekend naar Frankrijk rijdt. Dan weet ik dat ik hem opnieuw zal zien en dat wij voor een aantal uren samen zullen zijn”. “Een aantal uren? Is dat niet beschamend? Die jongen wil voor altijd bij je zijn”. “Ik weet het, ik weet het”, schreeuwde ik het uit. “Maar het is allemaal niet zo eenvoudig als je zegt. Mijn baan, mijn huis …”. “Er is niemand die je kan tegenhouden. Je hebt genoeg spaargeld en je zou jouw huis kunnen verkopen om in Frankrijk te gaan wonen. Wat let je?”. “Alles houdt mij tegen. Ik ben er voor mijzelf nog niet uit. Een maand geleden stond ik nog op de rand van de brug. Een tiental meter onder mij kolkte het water van de rivier kolkte en nodigde mij uit om te springen. Het zou zo heerlijk geweest zijn als ik door de stroming werd meegevoerd en ik zou het toestaan dat het water zich dan uiteindelijk over mij zou ontfermen”. “Als je dat zo graag had gewild, waarom ben je dan niet gesprongen?” “Omdat ik een enorme lafbek ben en de stap, die velen voor mij hebben gemaakt, niet aandurfde. Maar ik zou zo graag verlost willen zijn van alle problemen die ik op mijn weg ben tegen gekomen”. “Dat laatste wil ik geloven, maar ik denk niet dat je een lafbek bent. Ik denk veel eerder dat je niet wilde springen omdat je nog teveel waarde aan je leven hecht waardoor je niet kon besluiten om je leven vroegtijdig te beëindigen”. Ik zweeg, de laatste woorden van Cuba dreunden nog na in mijn hoofd. Misschien had ik er beter aan gedaan om hem het laatste voorval niet te vertellen. Tóch had ik daar gestaan, op de rand van de brug terwijl ik mij hevig verzette tegen de duizeligheid en de hoogtevrees. Opnieuw voelde ik de angst van die diepte die als een gapende mond wachtte op het moment dat ik zou springen. Maar ik kon het niet. “En hoe zit het dan met jou? Kon jij dan helemaal geen waarden meer vinden op het moment dat je op die vervloekte kruk stond met het touw om nek? Ik kan je zoveel dingen opsommen die het waard waren geweest om verder te leven”. Cuba kromp in elkaar alsof mijn woorden zijn rug geselden. Hij hield zijn handen voor zijn oren om mijn vervolg niet te kunnen horen en hij krijste het uit dat ik moest stoppen met praten. “Waardoor voelde jij dan geen enkele angst meer om zelfmoord te plegen? Was die keuze dan voor jou zo gemakkelijk geworden?”, hield ik aan. Grote tranen stroomden over het gezicht van mijn blonde vriendje en vielen op de grond van de auto. Hij zat er verslagen bij en zijn lichaampje schokte bij elke ademstoot. Zenuwachtig balde hij zijn vuistjes en wierp vervolgens het hoofd verbeten naar achteren terwijl hij zijn lippen ferm op elkaar perste. Hij keek met betraande ogen naar de donkere hemel alsof hij steun verwachtte maar die hulp bleef uit. “Nou, komt er nog wat van? Wat is jouw verhaal? Je had mij toch nog een geheim te vertellen? Ik heb het mijne verteld, nu ben jij aan de beurt”. Het volgende moment vloog hij als een afgeschoten projectiel in mijn armen. Ik voelde hoe hij zijn armen stijf om mijn nek drukte en kreeg daarbij de indruk dat hij mij nooit meer wilde loslaten. De stof van mijn colbertjasje werd nat door zijn tranen en zijn wilde, blonde haren kriebelden in mijn nek. In de stilte hoorde ik zijn hartje bonken en wreef hem zachtjes over zijn rug. “Toe nou, ik bedoel het niet zo streng. Het gaat mij eigenlijk allemaal niks aan. Het was jouw leven en als je besluit om daar zelf een einde aan te maken dan zal je daar wel een goede reden voor hebben gehad”. “Daarom huil ik niet”, schokte hij. “Ik heb tegen je gelogen” . “Nou ja, dat zal toch allemaal wel meevallen”. “Ik heb gelogen over de zelfmoord”. “Bedoel je daarmee te zeggen dat je nog leeft?”. “Nee, ik ben dood. Je hebt mij zelf gezien tijdens de begrafenis”, snotterde het blonde ventje. “Wat is er dan? Vertel het mij maar, misschien kan ik je helpen”. “Ben je dan niet boos meer?”. “Natuurlijk ben ik niet boos op je. Je hebt mij fantastisch geholpen. Ik ben je vriend, dat weet je toch”. “Ja, dat weet ik”, snikte hij en drukte zich nog steviger tegen mij aan. “Vertel mij nu eens rustig waarover je hebt gelogen”. “Over de zelfmoord …”. “Ja?”, spoorde ik hem aan omdat hij even een rust liet vallen. “Het was geen zelfmoord. Mijn vader heeft mij vermoord”. “Jezus Christus”, vloekte ik hardop. “Er bestonden al verdenkingen tegen je vader maar er waren geen hare bewijzen te vinden. De recherche heeft daarom moeten aannemen dat je zelfmoord had gepleegd omdat het je allemaal teveel werd”. Wordt vervolgd.
Alle teksten ressorteren onder JRvanDriel©copyright, tenzij anders is aangegeven. Niets van deze pagina mag elders worden geplaatst tenzij nadrukkelijke toestemming van de auteur is verleend. De teksten mogen ook niet gewijzigd, ingekort of verpersoonlijkt worden. |
|
Johnny |