Verhalen

Johnny, Vastgevroren water intro - 1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7

Vastgevroren Water, deel 3

Oorspronkelijke titel: een kleine lifter

Ik hoor kinderstemmen en ruik het gloor in het water van het zwembad. Het is een doordringende geur en bovendien krijg ik van de gloorsubstantie kleine rode vlekjes op mijn lichaam. Met regelmaat kijk ik op de klok die, goed zichtbaar voor iedereen, in het tussenstuk hangt. De kleintjes, die dartel rond mij zwemmen, maken plezier en ik wacht gelaten op mijn vriend die elk ogenblik bij het bassin zal staan. Hij heeft mij gewaarschuwd om niet uit mijzelf naar hem toe te komen als hij zich in de badhokjes staat te verkleden. Hij zou mij wel roepen als de kust veilig was. Ik wist dat ik betrokken was bij handelingen die het daglicht niet konden verdragen, maar het hinderde niet. Het liefste was ik zo dicht mogelijk bij mijn allerbeste vriend die mij telkens vertelde dat ik de belangrijkste persoon uit zijn leven was. Achteraf vroeg ik mijzelf af wát ik dan zo nodig geheim moest houden want als hij eenmaal in het water was gesprongen dan sloeg hij zijn armen om mij heen en kneedde minutenlang mijn achterwerk. Of hij stopte brutaal weg zijn handen in mijn zwembroekje.

Er was niemand die aanmerkingen maakte op zijn gedragingen. Het viel de kinderen die om mij heen badderden niet op of ze wilden niet zien wat er gebeurde uit angst om er ook bij betrokken te raken. Ook de oudere mensen die rond het bassin liepen schenen niets te merken en lachten ons vriendelijk toe als we ‘stoeiden’ in het water. Later kwam ik er achter dat veel van die mensen een zelfde geaardheid kenden. Dat merkte ik maar al te goed toen mijn vriend door één van die personen werd ingelicht dat we het iets kalmer aan moesten doen omdat er geïnspecteerd werd door de badmeesters. Na het bericht tilde mijn vriend zich uit het water en lieten wij elkaar een tijdje met rust.

Ik weet nog hoe ik, als kind, hunkerde naar zijn aandacht en dat de dingen die wij samen beleefden prettig waren. Hij gaf mij de indruk dat ik er bij hoorde en mijn leeftijd ver vooruit was omdat andere kinderen met seks moesten wachten totdat ze volwassen waren.

Steeds vaker belandden wij, na het zwemmen, in de badhokjes waarbij ik op de neergeklapte houten plank, die de klapdeuren aan weerszijden vergrendelde, moest gaan staan waardoor ik over alle hokjes kon uitkijken. Op die wijze kon ik hem tijdig alarmeren als er iemand onze richting uitkwam. Ondertussen hield hij niet op om zich aan mij te verlustigen en hij rustte niet voordat wij beiden ons hoogtepunt hadden gehad.

“Meneer, mag ik weer binnenkomen?”, verstoorde een jongensstem mijn gedachten.

Ik keek op en zag de onderdanige blik van Twinkeltje. Het regenwater droop langs zijn sliertige haren en stroomde als een niet af te stoppen riviertje langs zijn gezicht naar beneden. Ik was teveel met mijzelf bezig geweest en had daardoor geen oog voor zijn treurende verschijning. Bovendien was ik nog steeds woedend op hem. Misschien misbruikte ik de woedde, als overtuigend argument, om mijzelf te overtuigen dat ik niet bang voor hem was.

“Ik heb toch al gezegd dat ik je niet meer wil zien. Sodemieter op”. 

Twinkeltje keerde zich om, drentelde enkele meters weg. Vervolgens stopte hij om zich daarna voorzichtig om te draaien waardoor hij kon zien dat ik opnieuw opgeslokt werd door mijn gedachten. Ondertussen bleven de vragen als hamerslagen door mijn  hoofd bonken.

“Waar heb je gefaald? Wat is de oorzaak dat je allerbeste vriend zich uiteindelijk zo tegen je heeft afgekeerd?”

Het zou wellicht toch wel zo zijn gelopen, dat mijn steun en toeverlaat een verminderde interesse in mij zou krijgen. Aanvankelijk joegen wij elkaar hartstochtelijk op en stimuleerden onze liefde tot onstuimige hoogte. De eerste keren dat hij mij kwam ophalen in zijn ‘lelijke eendje’ gierden wij van het lachen om de grappige opklapramen en de richtingaanwijzers, aan weerszijden van de auto, die bij elke bocht een spontane erectie konden krijgen. Wij toerden wat af en kwamen, tot grote ontsteltenis van mijn moeder, soms pas midden ik de nacht weer thuis. Ik vertelde haar alles wat er gebeurd was, maar ik zweeg over het gretige liefdesspel dat in de auto had plaatsgevonden.

Nog steeds staan mij de eerste bezoeken die ik bij hem thuis aflegde helder voor de geest. Wij genoten van onze vrijheid en drukten onze naakte, opgewonden lichamen tegen elkaar als wij gebruik maakten van de douche die was ingebouwd in een voormalige klerenkast. Ik was trots omdat ik iemand kende die een auto had; ik was trots omdat ik iemand kende die zich de luxe van douchecel kon permitteren en ik was trots om een vriend te hebben die zich om mij bekommerde. Meer verlangens kende ik niet aan  begin zestiger jaren. Maar langzaam tekende zich evenwel de eerste verwijdering af toen zijn vriend ging deelnemen aan de ‘stoeipartijen’. Daarna werd de vriendenkring steeds groter en ging ik van hand tot hand.

Ik accepteerde het om toch dichtbij hem te zijn. Ik aanvaardde het ook omdat er flink geld te verdienen viel bij de klusjes die verrichtte. Maar toen ik eenmaal ontdekte dat er ook leeftijdsgenoten, schoolkameraadjes, in het spel betrokken moesten worden moest ik er letterlijk en figuurlijk voor knokken om nog bij mijn vriend in de spotlight te staan. Het minderde, het minderde snel en al spoedig werd ik het slachtoffer als hij niet snel genoeg kon klaarkomen en werd ik bedreigd en geslagen omdat bij hem de angst begon te overheersen dat ik de boel zou verlinken.

“Ach toe nou, meneer. Laat mij alsjeblief binnen. Ik heb het koud”. 

Opnieuw schrok ik op uit mijn gedachten en wierp een blik in de richting van het portier waarachter het smekende jongensstemmetje van Twinkeltje vandaan was gekomen. Hij keek nog even treurig maar zijn aanwezigheid deed de woedde in nog hogere mate in mij groeien. Het kolkte in mijn lichaam en mijn handen trilden. Ik pakte het mes op en stak het dreigend omhoog terwijl ik enkele norse kreten slaakte. Het hielp niet en mijn vriendje bleef als versteend staan waarop ik de portier aan mijn zijde opensloeg.

“Laat mij met rust. Rot op”.

“Waar moet ik dan naar toe? Alsjeblieft, neem mij mee”.

“Ik neem je nergens meer mee naar toe. Je brengt slechte herinneringen in mij boven. Ga, voordat het te laat is”.

“ Klootzak”.

Het ‘boze’ woord was gevallen en haalde de trekker over op een moment dat ik niet of nauwelijks voor mijzelf kon instaan. Terwijl de regen als een dolgedraaide vijand op mij neer kletterde rende ik in zijn richting. Twinkeltje bleef een seconde lang als aan de grond gekluisterd maar verkoos daarna het hazenpad en nam ijlings de benen. Het mocht hem niet baten omdat ik de vastberadenheid proefde om hem voorgoed uit mijn gezichtsveld te laten verdwijnen.

De jacht op mijn kwelduiveltje was begonnen. Het jochie licht en daardoor rap ter been. Bovendien bleek hij zo wendbaar als een aal. Telkens als ik hem bijna te pakken had draaide hij zich plotseling in een bocht en wist dan telkens te ontsnappen. Totdat de spekgladde blubberlaag op de grond hem fataal werd en ik mij boven op hem kon storten. Mij handen graaiden langs zijn lichaam om houvast te verkrijgen. Zijn verwoedde pogingen om mij alsnog af te schudden hielpen niet mee maar uiteindelijk had ik hem ik een klem. Ik omklemde zijn nek met mijn linkerarm terwijl ik vervaarlijk met mijn mes boven zijn hoofd zwaaide.

“Waarom doe je niet meteen wat ik je heb gezegd? Je maakt mij kwaad, je maakt mij woest. Nog één opmerking en ik steek …”

Door de overweldigende woedde had ik moeite om mijn woorden uit te spreken. Ondanks mijn betraande ogen kon ik zien hoe nietig en hulpeloos mijn slachtoffer was maar bemerkte nauwelijks dat hij heftige tegenstribbelde om zich uit mijn verwurgende houdgreep te bevrijden. Langzaam namen zijn krachten af en enkele seconden later keken wij elkaar gespannen en met gemengde gevoelens aan. Ik vloekte. Waarom huilde dit kreng niet? Was hij dan niet bang?

“Steek maar”,  sprak hij mij plotseling bits toe. “ Je kan mij toch niet doodmaken. Ik ben al dood”.

“Wat een lulkoek. Denk je dat je mij kan vangen met  die onzin praatjes?”

“ Misschien”.

Plotseling spuwde hij mij in mijn gezicht en wist razendsnel te profiteren van een weinig oplettende actie mijnerzijds. Terwijl ik mijn hand ophief om hem opnieuw vast te grijpen of te slaan ontworstelde hij zich en glipte weg in de eerste meters voorsprong die hij zich had toegeëigend. Ik bleef achter, badend in de modder, en zwaaide hem woedend met gebalde vuisten na.

Daarna trad het besef in en het schuldbesef drukte als een loodzware last op mijn schouders.  Ik sleepte mij enkele meters voort op mijn knieën, vouwde mijn handen samen en smeekte de Heer om vergiffenis. Het waren ampele woorden, maar ze kwamen van binnenuit en peurden mijn allergrootste verdriet naar de oppervlakte. Ik sloot de ogen en huilde. Ik huilde om een verloren gaan van paradijselijk lijkende vriendschap die in mijn jeugd zo jammerlijk beheerste. Ik vocht tegen en illusie die ik jarenlang had gekoesterd en die geen vervolg gekend. Ze was in duizenden stukken uiteen gevallen toen ik ontdekt had dat mijn vriend niet de persoon was die ik mij werkelijk had voorgesteld. Ik huilde ook omdat ik mij op een onvoorstelbaar beestachtige wijze had laten gaan tegen Twinkeltje. Ik verdiende de dood en keek naar het mes dat in mijn hand lag. Mijn vingers trilden maar spanden zich desondanks gehoorzaam toen ik het scherpe gedeelte tegen mijn keel hield. Mijn verdriet en mijn slechte daden zouden in enkele seconden beslecht zijn, als ik de euvele moed kon vinden om toe te slaan. Ik aarzelde omdat ik teveel van het leven hield. Of misschien gebruikte ik de laatste opvatting alleen maar als afleiding om te voorkomen dat ik mijzelf een lafaard zou noemen. 

Ik richtte mijn hoofd op en keek naar Twinkeltje Hij was vreemd, het ventje leek een kwelduiveltje maar hij kón dat niet zijn omdat duiveltjes zich meestal niet verhullen in een engelachtig voorkomen. Ik wierp het mes van mij af en keek toe hoe het voorwerp op enkele meters trillend in de modder tot stilstand kwam. Daarna sloeg ik de handen voor mijn ogen. 

Mijn vriendje kwam schoorvoetend dichterbij en even later wist ik zijn hand aarzelend en troostend op mijn schouder. Toen hij bemerkte dat mijn woedde niet meer tegen hem gericht was sloeg hij zijn arm om mij heen en kuste mij zachtjes op mijn met modder besmeurde wang. Het hinderde mij niet, net zo min als dat de liefkozing hem hinderde. Ik vond het zelfs prettig en luisterde stil naar zijn woorden. 

“ Je bent terug geweest naar vroeger?”, fluisterde hij zorgzaam in mijn oor. 

“ Jaha”, snikte ik.

“Was het zó moeilijk voor je?”

Ik zweeg. Op deze vraag voelde ik geen behoefte om antwoord te geven. Het antwoord heeft hij zelf kunnen ervaren..

“Zou je mij echt hebben neergestoken?”, vroeg hij opnieuw.

Ik haalde mijn schouders op maar ik wist dat ik hem nooit kwaad zou kunnen doen. Het enige dat ik op dat ene moment wilde aangeven was dat hij weg moest gaan. Ik wilde hem alleen maar afschrikken zodat hij uit zichzelf zou vertrekken. Maar nu was ik blij dat hij er toch nog was. Ik stond op voelde mij prettig toen hij zijn armen strak om mijn middel sloeg. Mij kleren en mijn schoenen sopten omdat ze doordrenkt waren van het regenwater. We lachten samen en dansten, als gegrepen door een onmogelijke tegenstelling, door de plassen. Ik liet mij achterover op mijn rug in het water vallen waarna Twinkeltje zich boven op mijn buik wierp. De warmte van onze lichamen smolten samen en ik kuste hem als een waanzinnige terwijl mijn hand, zoekend naar zijn ranke ruggenwervel, onder zijn kletsnatte kleding kroop. 

“Oh, Twinkeltje. Het spijt mij allemaal zo. Ik hou zo waanzinnig veel van je”.

“Ik wist wel dat je mij geen kwaad zou kunnen doen. Ik wíst het gewoon”.

Hij drukte zijn lippen tegen de mijne terwijl hij alsmaar doorpraatte. Het kriebelde maar ik zou het hem uiterst kwalijk hebben genomen als hij op dit moment zijn zinnen zou onderbreken om te stoppen. 

“Zullen wij gaan zwemmen?”, stelde hij voor.

Ik schudde het hoofd omdat ik het daar veel te koud voor vond. 

“Maar er zit allemaal modder aan onze kleren. Als wij gaan zwemmen met onze kleren aan dan kunnen wij het gelijk afspoelen. Jouw auto wordt daar anders hartstikke vies van”.

“Nou én? In de achterbak ligt een plaid dat ik over de banken kan uitspreiden. Dan worden de zittingen in ieder geval niet vies.  Kom wij zoeken de warmte op”.

Twinkeltje knikte. Hij had het begrepen en hij had waarschijnlijk ook wel behoefte aan de warmte van de blower. Toen wij goed en wel in de auto zaten vroeg hij mij opnieuw naar een sigaret. Wij rookten samen zwijgzaam en keken naar de maan die zich door de zware regenwolken heen probeerde te worstelen. Het was grappig. Ik had de maan nooit op deze manier willen zien. In mijn beleving diende de melkachtige planeet eerder als een huichelachtige verdringer van de leuke, opgewekte dingen die je tijdens daglicht kon doen. Maar nu leek de maan een geheel andere betekenis te hebben gekregen en beschouwde ik de planeet als een vechter die mijn moeilijke periodes probeerde te verdrijven. Een flauwe glimlach speelde rond mijn mondhoeken.

“Waarom lach je?”, vroeg Twinkeltje.

“Misschien lach ik wel  om jou. Maar misschien ook omdat ik dingen nu beter begrijp of juist omdat ik eigenlijk helemaal niks meer begrijp”. 

“Oei. Dat is een beetje té moeilijk”. 

“Het hele leven is moeilijk. Je krijgt in dit leven niet alles voor niks”.

“Oh. Bedoel je het zó”.

“Ik weet niet of ik het op die manier bedoel. Het enige waar ik zeker van ben is de constatering dat je niet zomaar op mijn weg bent verschenen. Je was voldoende in de gelegenheid om met andere mensen mee te reizen maar het is mij nu wel duidelijk geworden dat je speciaal op mij hebt gewacht. Zou je mij willen vertellen welk magisch geheim achter dit alles schuilt? Al zou je maar een tipje van de sluier kunnen oplichten”. 

Terwijl ik mijn zinnen uitsprak bediende ik met mijn vingers de verlichtte knoppen van de wisselaar waarna een ritmische muziek op overweldigend wijze de wagen binnenstroomde.

“I’m ridin’ all night, my hand wet on the wheel”

Het strakke geluid van the Earring overrompelde ons en ik  keek Twinkeltje geschrokken aan die mijn blikken met zijn olijke pretogen beantwoordde. Snel draaide ik het volume omlaag en keek hem opnieuw aan.

“ Ik wacht”.

“Waar wacht je op?”

“Tot je gaat vertellen wie je bent. Als je mij hebt uitgelegd waarom je op mij hebt gewacht dan rijden wij verder naar Nederland”.

“ Ik weet niet of je graag wilt weten wie ik ben”. 

“Het maakt mij niet uit. Ik heb vanavond al zoveel meegemaakt dat een klein beetje meer schrik de situatie niet verder kan verslechteren. Vertel maar op”. 

Twinkeltje zweeg en keek mij strak aan. Ik probeerde zijn gedachten te raden maar gaf het vrij snel op omdat ik er werkelijk geen idee van had wat er allemaal  in zijn bolletje om ging.

“Oké, ik zal het vertellen. Maar zet eerste de muziek wat zachter”.

“Waarom zachter? De muziek staat al bijna op zijn zachtst”.

“Omdat het flowerpower is”.

“Hoor ik dat goed? Zeg je flowerpower?”

Twinkeltje knikte waarna ik mijn hoofd hard achterover tegen de hoofdsteun van de zitting sloeg. Ik was geschrokken waarbij ik mijzelf het verwijt maakte dat ik het had kunnen weten. Híj had het sleutelwoord gesproken en nu werd het mij gelijk duidelijk waarom Twinkeltje al eerder had aangegeven dat hij uit een andere wereld kwam en nu begreep ik ook waarom hij mij had verteld dat hij niet meer dood kon gaan omdat hij toch al dood was. 

“Je weet zeker dat je flowerpower hebt gezegd?”, zocht ik naar bevestiging.

“Dat weet ik zeker. Moet ik het nog een keertje zeggen?”.

“Nee, laat maar. Ik denk dat ik al genoeg weet ”, zuchtte ik. “Er is maar één persoon die er een gewoonte van maakte om mijn muziekkeuzes flowerpower te noemen. In dit wonderschone lichaam van Twinkeltje zit dus de geest van Cuba? Godsamme, ik dacht dat ik het allemaal wel had gehad vanavond maar je blijft mij elke keer opnieuw verbazen”. 

“Het lijkt wel of je er helemaal niet blij mee bent”, klonk het sip.  

“Dat wel, maar je moet mij ook even de gelegenheid gunnen om het allemaal te verwerken. Het gaat allemaal nog al snel”.

Ik draaide mijn hoofd om en keek naar de wagens die ons in de verte voorbij reden. De lichten van de koplampen speelden door de nacht en raasden verder totdat zij in een mysterieus lijkende eindeloosheid verdwenen waren. Onderwijl probeerde ik mij dat introverte knaapje voor de geest te halen dat bij mij in de klas had gezeten toen ik nog leraar was. Ik probeerde vergeefs zijn échte naam te herinneren maar zijn bijnaam bleef overheersen. Cuba was een koosnaampje die bij zijn schoolkameraadjes was opgekomen omdat zijn vader zo verschrikkelijk veel op Fidel Castro leek. Elke keer als ik die man zag rookte hij dikke sigaren en dat beeld was niet meer van het netvlies te branden.

Cuba was aanvankelijk een jongetje geweest met een speels, ondeugend karaktertje, maar zijn jeugdige frisheid was zorgwekkend ingezakt nadat men had ontdekt dat hij zichzelf prostitueerde. Na urenlange ondervragingen had hij uiteindelijk de namen van zijn ‘klanten’ prijsgegeven en was nadien veranderd in een klein bang wezentje dat het vertikte om nog blij te zijn met de leuke dingen van de dag. Ik had geprobeerd om hem uit zijn isolement te halen door gesprekken met hem te voeren maar niks lukte. Tot die ene dag … toen hij niet was verschenen op school en ons later het nare bericht bereikte dat hij zelfmoord had gepleegd.

Voor hem was deze bizar lijkende mogelijkheid wellicht dé enige uitweg geweest, om te vluchten uit een duistere nacht die hem omklemde als een te nauw kledingstuk. Maar voor ons kwam het nieuws als een donderslag bij heldere hemel, alhoewel wij  zijn trieste manier van handelen hadden kunnen zien aankomen. Blijkbaar hadden wij teveel vertrouwd op de band die hij had met zijn vader, een band die achteraf niet zo sterk bleek te zijn als wij aanvankelijk hadden ingeschat. De man die zich in het openbaar leek te bekommeren over het welzijn van zijn zoon bleek onder huiselijke omstandigheden een totaal ander karakter te kennen. Hij was bot omgegaan met het verleden van zijn zoon en had hem tot bloedens geslagen als ze weer eens ruzie hadden gehad. Maar Cuba zou nooit een krimp geven. Hij voelde zich een man en hij had gezwegen, aldoor maar gezwegen. Totdat de krachten te ver waren gestroomd om te kunnen praten.

Ik had gehuild toen ik hem zó opgebaard zag liggen in die kleine houten kist. Zijn gezicht was fragiel, bleek en hij leek alleen nog maar te kunnen ontwaken door een magische kus op zijn lippen. Maar ik durfde hem niet te kussen uit angst voor de ontdekking van mijn geaardheid. Ik herinnerde mij nog dat ik zijn gezicht gestreeld had met de toppen van mijn vingers en voorzichtig het board van zijn trui omlaag had geschoven om te zien hoe de striemen van het touw waaraan hij zich had verhangen op zijn hals waren ingebrand. Nog één keer had ik gekeken naar zijn tengere, ontzielde lichaam dat gestreeld en gemind was geworden door zoveel anderen behalve door zijn vader. Ik voelde mij verslagen omdat hij zo onomkeerbaar voor zijn rust had gekozen. Als hij het had gewild dan had ik nog zoveel voor hem kunnen betekenen. Maar ik kon zijn beslissing begrijpen en er restte mij niks meer dan deze te respecteren. 

“Cuba, na zoveel jaren zie ik je terug. Maar als je werkelijk Cuba bent, waarom ben je dan niet in je eigen gedaante gekomen”.

“Dan weet ik zeker dat je was geschrokken en dan had je mij nooit meegenomen”.

“Waarom ik? Waarom heb je bij het restaurant van madame Jolly op mij gewacht en waarom niet op iemand anders? Ik was slechts je leraar en ons contact was niet van dien aard dat je het als uitbundig had kunnen beschrijven. Ik heb je proberen te bereiken maar je liet het niet toe”.

Cuba boog het hoofd vol schaamte naar beneden en speelde wat nerveus met zijn vingers. Hij leek moed te verzamelen om zijn verhaal te vertellen.

“Omdat U op mijn begrafenis was”, probeerde hij. 

“Je weet zelf wel dat dit niet de reden kan zijn. Het zag zwart van de mensen tijdens je begrafenis. Er waren misschien wel een paar honderden belangstellenden aanwezig. De meeste mensen kwamen van school maar er was ook familie”.

“Enkel een oom en een tante”, wist hij te vertellen.

“En je vader”.

“Pfew, heb je zijn gezicht gezien toen de deksel sloot? Hij haatte mij om wat ik gedaan had. Hij heeft mij altijd gehaat en hij spuwde op mij, zelfs toen ik dood was kon hij het niet nalaten om mij te minachten”.

“Je vader was een alcoholist. Hij was een verbitterd man en volledig van God afgedreven nadat je moeder was overleden”.

“En wat heb ik daar mee te maken? Denk je soms dat ik mijn moeder dan niet heb gemist?”

“Natuurlijk heb jij je moeder gemist maar misschien deed jij hem zoveel aan je moeder herinneren waardoor hij niet op een manier van je houden zoals je dat van hem verlangde”.  

“Het is gelul. Het is allemaal puur gelul”, schreeuwde Cuba uit terwijl hij zijn vuisten van woedde balde en hard op het dashboard begon in te slaan. Ik pakte zijn handen en probeerde hem te kalmeren. “Ik ben ik en mijn moeder is mijn  moeder”. 

Ik sloeg mijn arm om zijn schouder heen toen ik bemerkte dat hij begon huilen. Zijn lichaampje schokte bij elke snik en zijn tranen stroomden over mijn vingers toen ik zachtjes over zijn wang streelde.

“Niemand hield van mij, Alleen jij hield van mij. Ik zag je op de begrafenis staan tussen al die mensen en wist dat jij de enige was die mij begreep. Jouw tranen waren oprecht. Alleen de tranen van jou en van niemand anders”.

“Iedereen hield veel van jou. Ook je vader”.

“Je liegt het. Je liegt het”,  schreeuwde hij uit. “Er was niemand … helemaal niemand”.

Een pijnlijke stilte viel. Ik probeerde naar passende woorden te zoeken maar vervloekte mijzelf dat ik mijzelf op  dit moment niet goed kon uitdrukken om zijn verdriet te verzachten. Met overgave kuste ik zijn bezwete voorhoofd en hoopte dat mijn liefde hem zou bereiken. Maar hij huilde door tot …  er plotseling een flauwe glimlach op zijn gezicht verscheen.

“Jouw woorden waren zo verschrikkelijk mooi”, herinnerde hij zich. “Ze waren oprecht en ze pasten allemaal bij elkaar. Je sprak over het leven en over vastgevroren water. Ik weet alles nog omdat ik de tekst uit mijn hoofd heb geleerd. Je hebt de tekst die op een blaadje stond geschreven op mijn kist gelegd. Toen ik alleen was heb ik het opgepakt en gelezen en nog eens gelezen totdat ik het blaadje niet meer nodig had”.

“En daarom heb je mij uitgekozen om terug te komen?”

“Ja. Misschien is het wel daarom. Misschien ook omdat ik kon voelen dat jij echte liefde voor jongens zoals ik wilde geven”.

“Ik weet niet of ik er wel zo blij mee moet zijn dat je bent teruggekomen. Je hebt veel nare herinneringen opgehaald. Herinneringen die ik liever zou willen vergeten”.

“Zou je de herinneringen aan mij ook willen vergeten?”

“Nee, Cuba.  Ik ben blij dat ik je heb gekend. Alleen had ik je graag betere leefomstandigheden toegewenst. Ik weet wat je allemaal hebt doorstaan. Ik ben door een zelfde hel gegaan. Ik denk dat je wat te snel bent geweest door je vader te straffen met je zelfmoord”.

“Ik heb geen zelfmoord gepleegd om mijn vader te straffen. Hoe kom je daar nu bij?”

“Dat is wat iedereen in het dorp vertelde.  En dat is ook de enige reden die ik bij jouw zelfdoding kon bedenken”. 

“Heb jij dan nooit verder nagedacht?”

“Ik heb vaak aan je gedacht. Zeker de eerste maanden na jouw begrafenis maar voor mij was het volkomen duidelijk waarom je die keuze hebt gemaakt”.

Even leek het alsof Twinkeltje mij spottend aankeek. Misschien was de blik in zijn ogen wel vol ongeloof en haat omdat ik de boodschap die hij met zijn handelen had willen meegeven niet door mij gezien waren.

“Verdomme man, zie je dan niet dat ik wegkwijnde omdat ik mijn vrienden moest verraden. Iedereen die ik kende kreeg een gevangenisstraf en ik durfde ze niet meer onder ogen te zien. Denk jij dat het leuk is om op het politiebureau te moeten verschijnen en daar te horen dat je niet meer bang hoeft te zijn voor die mannen omdat ze voor jaren zijn opgesloten. Oké, ik had seks met mannen. Maar dat wilde ik zelf, ik vond het prettig”.

“Je vond het prettig omdat je vader je niet om jouw bekommerde en je vond het prettig omdat ze je aandacht gaven. Maar ze misbruikten je wel”.

“Weet je wie mij het ergste misbruikt heeft?”

Ik haalde mijn schouders en merkte dat ik voorzichtig was geworden in het  antwoord geven omdat hij kennelijk de zwarte plekken in zijn leven anders had beleefd dan ik. 

“Geen idee, vertel  maar”. 

“De mensen die je het ergste misbruiken zijn de personen die zich met je bemoeien. Dit zijn de mensen die je vertellen dat je verkeerde keuzes hebt gemaakt. Dat zijn de mensen die je die je naar het ziekenhuis sturen om te onderzoeken of je soms aids hebt opgelopen bij die wisselende contacten. Dat maakt je bang, dat maakt je angstig”. 

“Maar dit soort onderzoeken zijn toch nodig om te zien of je in levensgevaar verkeerde?”

“Misschien wel, maar waarom vertelden zij het aan mijn vader? Ik hád een oplossing voor mijn problemen maar het enige wat de politie deed was mij het leven thuis onmogelijk maken door het allemaal aan mijn vader  te vertellen. Ik hield van die mannen met wie ik seks had. Ik had ze nodig, net zo goed als dat zij mij nodig hadden. Tijdens de rechtszaak durfde ik ze niet meer aan te kijken. Ik ben werkelijk door een hel gegaan”. 

Ik sloot mijn ogen en probeerde te denken. Het leven van Cuba en dat van mij leken zo vreselijk veel op elkaar, maar toch verschilden wij op allerlei gebied. Zijn beleving was gestoeld op het plezier terwijl ik alleen maar kon denken aan de momenten dat mijn wil gebroken werd door een man die zich als mijn allerbeste vriend uitgaf.

Johnny

30-03-2004

 

Alle teksten ressorteren onder JRvanDriel©copyright, tenzij anders is aangegeven. Niets van deze pagina mag elders worden geplaatst tenzij nadrukkelijke toestemming van de auteur is verleend. De teksten mogen ook niet gewijzigd, ingekort of verpersoonlijkt worden.

Johnny

terug naar boven