Johnny, Vastgevroren water intro - 1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7
|
Oorspronkelijke titel: een kleine lifter Ik ken de onhebbelijke gewoonte om de onmetelijke Franse gedeeltes van mijn route naar Nederland in stukken te hakken en namen te geven. Waarschijnlijk doe ik dit om de grenzeloos lijkende verveling tijdens de rit tegen te gaan en om daarmee de ellenlange weg tussen Lyon en Lille gevoelsmatig te verkorten. Natuurlijk blijven de afstanden hetzelfde maar dit spel pleziert mij meer dan de eentonigheid van verkeersborden die om de haverklap aangeven hoeveel honderden kilometers de plaatsen uit elkaar verwijderd liggen. Dit stuk van de weg heb ik de ‘Soft Road’ genoemd omdat de teerlaag van een dergelijke substantie is dat het alle geluiden van de banden en de wagen als een spons leek weg te zuigen. Voor mij is dit telkens de plek waar ik het geluidsvolume van de jukebox naar een lager niveau kan schuiven om te genieten van de eenzaamheid. Voor mij zijn er twee soorten eenzaamheid. Als ik in de eerste gemoedstoestand verkeer dan is het eerder een situatie waarbinnen ik rust vind om mijzelf te ontspannen, maar aan het tweede etiket koppel ik de verveling en dient meestal de slaperigheid zich aan. Met mijn vriend Twinkeltje aan mijn zijde behoefde ik niet bang te zijn dat mijn oogleden zwaar zouden worden want het ventje was vol levensenergie en praatte honderduit. “Als je het klepje van het dashboard kastje opendoet dan zie je daar een pakje sigaretten. Kan je mij er eentje aangeven?” “Mag ik hem dan aansteken?” “Ik heb liever dat jongetjes van jouw leeftijd niet roken. Dat is niet goed voor ze”. “Nou, dán weet ik ook niet of de sigaretten kan vinden”, chanteerde hij lichtelijk. “Doe nu maar wat ik je vraag, anders stop ik de wagen om het zelf te pakken en dan kan je gelijk uitstappen. Er komt wel iemand anders langs met wie je mag meerijden”. Ik schrok van mijn woorden omdat ik het blonde ventje voor geen enkele prijs alleen zou achterlaten. Maar het hielp wel want enkele seconden later hield hij het rookgerei triomfantelijk in zijn handen. Onwennig peuterde hij een sigaret uit het pakje en stak het tussen zijn lippen. “Wat heb ik je nu gezegd? Geef op. Kom”. Hij waagde het niet om mij aan te kijken en drukte brutaal met zijn wijsvinger op de sigarettenaansteker die in het interieur van het dashboard lag verzonken. Enkele seconden later floepte het ‘ding’ weer naar buiten en hield hij de sigaret tegen het gloeide metaal. Nadat hij enkele rookwolken had uitgeblazen overhandigde hij mij de sigaret. “Roken is best lekker”, sprak hij en onderstreepte dit door een dromerig accent in zijn stem te leggen. “Het is stoer”. “Ja, het is vóóral stoer”, reageerde ik kort. “Voordat je het weet ben je er je hele leven aan verslaafd. Je kan beter niet aan roken beginnen. Rokers zijn op dit ogenblik de paria van de samenleving en volgens de maatschappij kan je geen slechtere criminelen vinden dan rokers. Bovendien gaat al je geld in rook op en het is verdomde slecht voor je lichaam”. “Ik rook mijn hele leven al”, probeerde hij met een trotse blik in zijn ogen. “Mag ik er ook eentje opsteken?” “Nee”, onderdrukte ik een glimlach. “ Mag ik dan het laatste stukje van je sigaret?”, hield hij aan. “Misschien, als je tenminste niet zo door zit te emmeren want daar word ik een beetje kriebelig van”. Twinkeltje zweeg en staarde voor zich uit. Even later wees hij naar een vliegtuig dat aan de horizon voorbij trok. “Waar gaat die naar toe?”, vroeg hij handig om de aandacht af te leiden. “Geen idee. Misschien gaat dat vliegtuig ook naar Nederland. Ze zullen er dan in ieder geval eerder zijn dan wij”. Met een zucht liet de jongen zich achterover vallen en probeerde zijn voeten tegen het dashboard te zetten maar zijn benen waren te kort. “Mag ik mijn schoenen uit doen?”, verzon hij plotseling. “Als je jezelf daar prettiger bij voelt dan zal ik je niet tegenhouden”. “Maar mijn sokken stinken wel een beetje”. “Hindert niet”, antwoordde ik zonder écht te beseffen dat de jongen volledig de waarheid sprak en ik er geen idee van had in welke mate het sterk indringende en zweterige aroma de lucht in de wagen zou bezoedelen. Ik lachte een beetje om het onbeholpen gestuntel naast mij, maar toen zijn schoenen eenmaal waren uitgetrokken sloeg de lucht op mijn keel. “Wat een penetrante rotlucht. Was jij jezelf wel eens?” “Ik heb je toch al verteld dat mijn kousen stinken”, lachte hij hardop. “Ja. Dát wel, maar je hebt niet gezegd dat je sokken in een toestand van chemische ontbinding bereikt hebben. Als we bij een watertje komen dan gaan we ze eerst uitspoelen want deze lucht kan ik écht niet lang verdragen”. “Ik kan ze ook uittrekken en uit het raampje gooien”. “Nee, dank je. Dan sterft de één of andere zwerver die hier voorbij komt onmiddellijk een gewisse dood als hij ze vindt en opraapt. Stel je eens voor dat hij aan die zweetdingen ruikt. Die ongein wil ik zeker niet op mijn geweten hebben”. Even leek het er op dat het ventje teleur was gesteld. Hij trok een pruillip maar zijn gezichtje klaarde meteen op toen ik hem de tip van mijn sigaret aanreikte. Hij nam enkele flinke halen, inhaleerde diep en drukte daarna het restant van de sigaret uit in de asbak. Zijn ogen schitterden opnieuw toen hij mij dankbaar aankeek. Verlegen legde hij zijn hand op mijn schoot en peuterde ietwat doelloos aan de vouw van mijn broek. “Ik weet het niet, maar ik heb het idee dat ik je al veel langer ken”, zuchtte ik terwijl ik een lichte huivering door mijn lichaam voelde trekken. “Dat is ook zo”, beaamde Twinkeltje. “Wat bedoel je daarmee? Bedoel je dat je mij eerder hebt ontmoet? Als dit zo is dan zou ik mij dit zeker kunnen herinneren”. “Ik weet het niet of ik het al kan vertellen. Misschien later …” “… als je weet dat je mij kan vertrouwen”, vulde ik hem aan. Twinkeltje knikte. Even later bood zich een verlaten vluchthaventje aan en besloot ik te stoppen omdat ik uit de verte had al gesignaleerd had dat de inrichting was voorzien van een sanitaire gelegenheid. Dit beschouwde ik als dé ultieme mogelijkheid om de sterke geur uit sokken van mijn jonge vriendje te spoelen. Ik besloot om er de tijd voor nemen want ik was nu eenmaal geen reiziger die constant op de weg zat te jakkeren om sneller thuis te kunnen zijn. Ik vond de rust in het feit dat er toch niemand was die op het eindpunt op mij wachtte. Al jaren lang was ik alleen, vrijgezel, en kon intens genieten van de vrijheden die dit leven bood. “Gaan we hier stoppen?”, keek Twinkeltje mij verheugd aan. “Even de benen strekken en je kousen wassen. Na een kwartiertje gaan we weer verder”. Nog voordat de wagen goed en wel tot stilstand was gekomen had de jongen de portier impulsief opengezwaaid en rende vervolgens naar het huisje om zijn behoeften te doen. Toen ik de deur van het gebouwtje opendeed hoorde ik hoe hoog de drang was geweest en vervloekte ik het dat hij mij niet had gewaarschuwd. Als hij mij had gewaarschuwd dat hij zo nodig naar het toilet moest dan hadden wij een eerder een stop kunnen maken. Na een kleine minuut klonk er een lichte verzuchting en zwaaide de deur van het toilet open. Twinkeltje keek mij aan en gooide vervolgens zijn kousen in de wasbak. Toen ik de kraan openzette kleurde het water meteen grauw. Ondertussen las Twinkeltje de opschriften die met graffiti, viltstiften of ander schrijfgerei tegen de muren waren aangebracht en herhaalde fluisterend de woorden en de zinnen die geschreven stonden. “Ik kan niet ontkennen dat het hier soms een spannende ontmoetingsplaats kan zijn voor doorreizigers. Als ik de boodschappen op de muren lees dan hebben hier al veel onstuimige avonturen plaatsgevonden”. “Kijk hier”, schreeuwde hij het uit. “Hier komen ook pedofielen”. Ik liep naar hem toe en las de tekst waarvan hij zo opgewonden van was geraakt. “Man, leeftijd 54, zoekt 12 jarig vriendje voor orale seks”. Daarachter stond met dezelfde hanenpoten een telefoonnummer gekrabbeld dat waarschijnlijk een niet bestaand nummer zou zijn omdat ook in Frankrijk het leggen van contacten met minderjarigen voor seksuele doeleinden als crimineel gedrag beschouwd zou worden. “Zullen wij hem bellen?”, vroeg Twinkeltje. “En dan? Als het telefoonnummer inderdaad bestaat en je krijgt die pedofiel aan de lijn, wat ga je hem dan vertellen?” Het ventje haalde zijn schouders op en ijsbeerde nog wat rond in het gebouwtje dat niet al te groot was. Toen hij vrijwel alle opschriften had gelezen gaf hij aan dat hij naar buiten wilde. “Is goed, maar ga niet te ver weg. Als je kousen schoon zijn dan gaan we verder”. Even later sloeg de deur dicht en sopte ik de sokken schoon met het wasmiddel dat ik uit de automaat had gehaald. Daarna hield ik ze tegen de warme luchtstroom van de handendroger die hinderlijk om de minuut afsloeg. Na enkele pogingen bleken de sokken voldoende gedroogd en drukte ik goedkeurend mijn neus tegen de zachte stof. Op hetzelfde moment vroeg ik mij af wat er zou gebeuren als we plotseling met een bezoek van de Franse Gendarmerie vereerd zouden worden en wanneer de agenten zouden bemerken dat ik een, voor mij, onbekende jongen had opgepikt om hem mee te nemen naar Nederland. Natuurlijk zouden zij mijn antecedenten natrekken en daarin wist ik mijzelf uitermate kwetsbaar omdat mijn verleden niet helemaal onbesproken was. Vroeger, heel vroeger, oefende ik het beroep uit als leraar op een basisschool en was verstrikt geraakt in een vriendschap die ik met één van de leerlingen deelde. Kareltje was tevens mijn buurjongetje die mij regelmatig bezocht omdat hij in de thuissituatie onvoldoende aandacht kreeg van zijn ouders. Telkens wanneer ik bij de buren was uitgenodigd om op visite te komen moest ik concluderen dat de drang naar alcohol overheerste en daarbij kon ik mij niet van de kwellende indruk onttrekken dat zoonlief regelmatig op brute wijze werd aangepakt. Ik zorgde voor de jongen; ik gaf hem te eten en, als dat nodig was, dan waste ik zijn kleren. Bovendien luisterde ik naar zijn verdriet als hij huilend bij mij aanbelde omdat de situatie weer eens uit de hand was gelopen. Op mijn vragen of zijn ouders hem hadden geslagen wilde hij nooit antwoorden. Daarin was hij té vastberaden en hij zou zijn ouders nooit verraden alhoewel hij voldoende redenen had zich te ontworstelen van het brute geweld dat dagelijks om hem neerdaalde. Op die ene, warme zomerse dag had hij opnieuw aangebeld. Ik had de deur geopend en zag een fris, spontaan kereltje die triomfantelijk met een tekening wapperde die hij voor mij had gemaakt. Dit was vooralsnog zíjn enige manier om blijk te geven van zijn warme gevoelens en waardering voor onze vriendschap. Het was een cadeau waarop hij zijn stinkende best had gedaan en op het eindresultaat mocht hij terecht trots zijn want Kareltje was, voor zijn leeftijd, een zeer talentvolle tekenaar. Dit keer zag ik echter iets vreemds aan de tekening want op de achterkant konden de weggegomde en bekraste delen niet verhinderen dat ik zag wat hem écht bezighield en wat hem hinderde in zijn ontwikkeling. Nadat ik hem verteld had dat ik in de afbeelding een tweetal oudere personen onderscheidde die een jonger persoon sloegen barstte hij in tranen uit. Toen ik hem troostend tegen mij aandrukte voelde ik hoe zijn prille lichaam schokte van het huilen waarbij hij telkens mijn blikken probeerde mijn blikken te ontwijken. Wellicht was dit voor hem dé manier geweest om mij te verklaren wat er écht met hem gebeurde. De boodschap lag verhuld en, vanuit kinderlijk aspect bezien, was het een bijna cryptisch aanwijzing van een misbruik dat al jaren bestond. Ik tilde hem op en legde hem op bed waarna ik besloot om naast hem te gaan liggen. Hij zocht direct met zijn hoofd een plekje in de holte van mijn schouder, zoals hij dat al vaker had gedaan en drukte zich koesterend tegen mij aan. Ik zweeg en luisterde naar zijn zachte snikken en streek hem zachtjes door zijn haren. Daarna zakte zijn verdriet en deelden wij het vredige moment terwijl wij samen keken naar de gordijnen die telkens opbolden als de wind door de openstaande warandadeuren blies. Wij hielden van elkaar en onze vriendschap was bezegeld met een onvoorwaardelijkheid waarvan ik hoopte dat die eeuwig zou duren. Het was warm. Té warm voor kleding en, zonder te spreken, hadden wij ons uitgekleed en schoven onze lichamen tussen de lakens. De tinteling die door onze naaktheid trok was van een ongekende intensiteit en wij streelden en kusten elkaar liefdevol. Mijn hand zocht de knokkels van zijn ruggengraat en ik telde de knobbels op zijn rug. Daarna streelde ik zijn middel en vervolgde mijn weg lang zijn dijen. Hij kreunde zachtjes en drukte zich steviger tegen mij aan. Ik kuste hem op zijn wang, nek en op zijn schouders. Steeds lager geraakten mijn vochtig geworden lippen en ik probeerde om hem intenser te minnen terwijl ik genoot van het moment dat ik mijn gezicht tegen zijn warme, zweterige buikje aan drukte. De kusjes rond zijn naveltje waren romig maar zijn handen die door mijn haardos woelden en de opjagende schokken van zijn onderlichaam deden mij de hachelijk van mijn gevoelens beseffen en spraken een schuldgevoel aan. Op datzelfde moment besloot ik te stoppen om hem niet te beschadigen in zijn maagdelijke wereld vol onschuld. Ik realiseerde mij dat hij nog maar een kind was en, ofschoon ik van hem hield zoals ik nog nooit van een ander had kunnen houden, trok ik daar míjn grens. Een jaar later kwam ons geheimpje op een merkwaardige manier aan het licht toen hij in een opstel moest verwoorden wat het gelukkigste moment van zijn leven was geweest. Alhoewel er absoluut niks strafbaars was gebeurd had zijn gedetailleerde beschrijving er voor gezorgd dat ik mijn carrière als leraar moest onderbreken. Daarbij volgde nog een aantekening die mij zou beletten om oude beroep binnen een termijn van vijf jaren op te pakken en bovendien moest ik een dadertherapie volgen die mijn remmers zouden sterken. Ik was een gebroken man. Ik werd door de aanhoudende roddel gedwongen om te verhuizen en vond later een nieuwe taak als handelsreiziger. Twinkeltje wist niets van dit alles en ik zou het hem ook nooit vertellen alhoewel ik bij hem een zelfde soort van onbegrensde genegenheid voelde als ik eerder bij Kareltje had opgemerkt. Ik keek rond mij heen en besefte dat er veel tijd verstreken was en besloot naar buiten te gaan om de weg met mijn jonge reisgezel te vervolgen. Toen ik buiten kwam stokte de adem in mijn keel. Mijn jonge vriend leek volledig van de aardbodem te zijn verdwenen. Ik schreeuwde zijn naam, schreeuwde opnieuw en rende wanhopig langs de lage bebossing die nauwelijks het uitzicht op de horizon ontnam. Nergens kon ik een glimp opvangen van mijn nieuwe vriend totdat ik van nabij zijn stem hoorde. “Hé, meneer. Ik ben hier”. Ik draaide mij om en keek over de lage bosjes waarachter ik een watertje ontdekte waarin Twinkeltje aan het badderen was. “Ben je nu helemaal gek geworden?”, schreeuwde ik geschrokken uit. “Het is stervenskoud. Straks loop je een longontsteking op en kan ik je naar een ziekenhuis brengen. Kom er uit en snel een beetje”. Het blonde ventje bleef in het midden van het water dat kennelijk tamelijk ondiep was waardoor je erin kon staan. Hij keek mij met grote angstogen aan. “Ik blijf hier tot je niet meer kwaad op mij bent. Zoals je nu tegen mij doet ben ik bang voor je”. Zijn woorden striemden als zweepslagen op mijn rug. Het deed pijn. Ik zou hem nooit kwaad doen, juist hém zou ik nooit kwaad doen omdat … omdat ik misschien meer voor hem voelde dan ik aanvankelijk voor waar had aangenomen. Madame Jolly had mij nog zó gewaarschuwd maar ik merkte dat ik gevangen was door zijn bekoorlijke verschijning. “Oké, oké”, suste ik de situatie. “Ik ben alweer rustig, maar je hebt mij wel behoorlijk laten schrikken. Ik dacht dat je weggelopen was. Hier liggen je kleren. Ik pak ondertussen mijn reistas. Daar zit nog wel een handdoek in zit zodat ik je kan afdrogen”. Terwijl ik nar de wagen liep zag ik uit mijn ooghoeken hoe hij uit het water klauterde en geduldig bleef wachten bij zijn kleren die vlak bij hem op de kant lagen. Toen ik terugkeerde en zijn rillende lijfje warm wreef drukte hij zich zachtjes tegen mij aan. “Vertel mij nu eens rustig waarom je bent gaan zwemmen”. “Ik deed het voor jou. Jij vertelde mij dat ik stonk en ik dacht dat ik niet meer met je mee mocht als, als, als … ”. De eerste tranen welden in hem op en seconden later barstte hij in huilen uit. “Het spijt mij, het spijt mij. Ik wilde je niet kwaad maken. Ik deed het fout. Vergeef het mij. Alsjeblieft, vergeef het mij”. De bravoure die Twinkeltje aanvankelijk had getoond was verdwenen als sneeuw voor de zon. Grote tranen hadden de plaats ingenomen van zijn ondeugende, bijna brutale schittering in zijn ogen. Wat resteerde was kwetsbaarheid, onschuld en aanhankelijkheid. Andermaal constateerde ik hoe zijn naakte, ontluikende lichaam hunkerde naar liefde en ik wenste dat mijn strelingen de eenzaamheid die hem omringde konden laten wegsmelten. Maar ik wist dat mijn waarnemingen teveel op mijn eigen gevoelens waren gebaseerd en dat ik het zou moeten laten bij een stevige knuffel en een liefdevolle kus op zijn goud gekleurde haardos. “Denk je nu werkelijk dat ik minder om iemand zal geven als die persoon zou stinken?”. “Jaha”, snikte Twinkeltje aandoenlijk. “Kijk mij eens aan, jongeman. Ik weet wel niet hoe je werkelijk heet en wat je bestemming is maar ik kan je verzekeren dat ik iemand die ik graag mag nooit zal laten vallen. Zelfs niet als zijn lichaamsgeur hinderlijk is. Ik zal hem helpen, zoals ik ook jou zal helpen. Maar je moet mij wel toestaan om je bij te staan. Anders kan ik niks voor je doen”. Met de handdoek droogde ik zijn tranen en sloeg mijn arm om hem heen. Een stevige knuffel was zijn antwoord. Daarna gebaarde ik dat hij zijn kleren aan moest trekken. “Kom, we gaan naar de auto. Ik zal de verwarming een tandje hoger zetten, dan ben je snel weer op temperatuur”. Terwijl wij naar de wagen liepen vroeg ik mijzelf af waarom ik mijn kop opnieuw in een wespennest had gestoken. Ik voorvoelde de aanwezigheid van ‘iets’ dat ik alleen maar als zeer ongewoon zou kunnen beschrijven en misschien zou ik het ook wel als zeer ongewenst kunnen aanmerken. Door de blower op de hoogste stand te zetten was het snel behaaglijk warm in de auto. Samen keken wij naar de dreigende lucht die aan de horizon was verschenen en lachten om de eerste regendruppels die een ritmische geroffel op het dak ten gehore bracht. De lucht veranderde in een asgrauwe massa en de regen stortte zich nu als een nietsontziende waterval naar beneden. Ik had het al eerder meegemaakt dat de weersomstandigheden in dit gebied zo plotseling en extreem veranderde. Frankrijk stond er om bekend en, een aantal maanden geleden, had ik de wagen ook al aan de kant moeten zetten omdat verder rijden tot een onmogelijkheid bleek te behoren. Ik had de radio afgestemd op een station die doorlopend easy listening nummers ten gehore bracht. Het was weliswaar niet mijn favoriete zenden maar desondanks maakte de muziek mij jazzy en liet mij denken aan betere tijden. “Mag ik nu wel roken?”, vroeg Twinkeltje. “ In het dashboard kastje, geef mij er ook een”. Ik keek toe hoe zijn tengere vingers het pakje verder openscheurden om de laatste sigaretten te pakken. Ergens in mijn reistas had ik nog een onaangebroken pakje gestopt maar het aanhoudende, slechte weer nodigde niet écht uit om het rookgerei uit de achterbak te halen. Gelukkig hadden wij voor dit moment genoeg aan twee sigaretten. Even later kringelde de rook omhoog en toen Twinkeltje zich ontspannen achterover in de kussens van de bijrijders stoel liet vallen zag ik nogmaals hoe knap hij was. Zijn lange blonde haren gaven hem een bijna goddelijk uiterlijk en zijn frisse, jonge smoeltje verraadde een ware perfectie. Op de momenten dat hij zijn ogenleden samenkneep om te genieten van het roken leek hij versluierd in een zweem van eeuwigheid. Het leidde geen twijfel dat dit ventje welhaast door een ieder begeert zou worden. Voorzichtig streelde ik hem langs zijn wang en toen mij wijsvinger zijn lippen raakte sloot hij opnieuw zijn ogen. “Ben je moe?” “Best wel”. “Als je de rugleuning naar achteren klapt dan kan je een misschien een beetje slapen. De weg naar Nederland is nog lang en, als ik jou was, dan zou ik maar wat uitrusten”. Nadat hij zijn sigaret had uitgedrukt probeerde hij uit welke stand hem het meest beviel en koos uiteindelijk voor de uiterste horizontale ligging waardoor de stoel meteen op een bed leek. Daarna keerde hij zich op zijn zijde en keek mij liefdevol aan. “Ga jij ook slapen?” “Nee, ik blijf nog wat wakker. Als de regen een beetje is geminderd dan rijd ik verder, anders komen wij nooit thuis”. “Thuis, thuis? Hoe ziet jouw huis eruit?” “Gewoon. Net als ieder huis, denk ik. Een paar kamertjes die niet al te groot zijn en een piepklein keukentje, maar ik kan mij behelpen”. “Het zal er best mooi zijn”. “Misschien is ‘geriefelijk’ een betere betiteling. Mooi is anders. Jij bent mooi”, knipoogde ik naar hem. “Vind je?” “Ja. Je bent ontstellend mooi”. “Wil je mij kussen?” “Je kan een nachtkusje krijgen als je dat wilt”. “Ik wil een andere kus, een mooie kus”, giechelde hij terwijl hij zijn hand op mijn been legde waarna hij mij zachtjes begon te strelen. Ik sloot mijn ogen en vroeg mijzelf af hoe het zou zijn om met deze goddelijke adonis te vrijen. Ongetwijfeld zou het ons verheffen tot een andere wereld waarin wij uitsluitend de warmte van onze liefde konden voelen. Ik merkte hoe in mij een brandend verlangen opvlamde om, samen met hém, weg te smelten in ongeremd genot en ik voelde de wens om de laatste liefdeskrachten uit onze hunkerende lichamen te persen. Totdat, totdat we te moe zouden zijn om verder te minnen en naast elkaar in slaap zouden vallen. Het leek een droom die akelig dichtbij was gekomen. “Heb jij het wel eens gedaan?” “Wat?” “Seks”, fluisterde Twinkeltje op een bijna respectvolle wijze. “Ja”, stotterde ik. “Ik weet dat je het vaak doet met Jérôme. Hij vind het fijn”. “Jérôme? Jérôme? Wat weet jij in godsnaam over Jérôme? Ken je hem?”, antwoordde ik geschrokken. “Ik ken iedereen die een belangrijke rol in je leven heeft gespeeld. Ik kan alles uit je gedachten lezen. Je hebt ook seks gehad met Philippe en Gaston”. “Wie ben je? Godverdomme, zeg mij dat je bluft. Probeer je soms om mij te chanteren? Zeg mij dan hoeveel geld je wilt hebben en sodemieter dan op”. Ik voelde dat mijn handen krampachtig sloten om het stuurwiel. Ik trilde van woedde en schrik. Mijn jonge vriend openbaarde zich op een manier die ik niet aangenaam vond. Hij kwetste mij. Hij raakte mij die in mijn ziel. Ik moest mij van hem ontdoen. “Ben je nog steeds bang om over vroeger te praten?” “Wat weet je over mijn verleden? Ik heb nog nooit met iemand gesproken over vroeger”. “Moet ik je vertellen hoe vaak je werd opgehaald door die mannen die je liet betalen voor een klein beetje liefde? Misschien dat je nog weet hoeveel je van één van die klootzakken hield? Jouw liefde bleef onbeantwoord. Hij had je alleen nodig om zich aan jouw te verlustigen”. Tranen van wanhoop en door onmacht volgden. Ik rilde nu over mijn hele lichaam en bonkte met mijn hoofd tegen het stuur. Ik hád mijn geheimen nog nooit aan niemand durven te vertellen. Ik had altijd gezwegen. Maar nu werd ik geconfronteerd met flarden uit mijn jeugd die mijn leven hadden gevormd en mij volledig hadden geblokkeerd. Ik had al zo vaak geprobeerd om de herinneringen uit mijn jeugd weg te denken maar telkens ontsnapten er momenten die mij hinderlijk bleven lastig vallen. “Ah, ik snap het al”, probeerde ik het te verklaren. “Jij bent natuurlijk niet echt. Ik heb je verzonnen. Jíj bent een verzinsel die mij een spiegel probeert voor te houden. Het enige wat ik moet zeggen is dat je weg moet gaan en als ik dan mijn ogen open dan ben je er niet meer”. Twinkeltje schudde het hoofd. “Het zit anders in elkaar. Ik zal niet weggaan. Niet nu, daar is het nog te vroeg voor”. “Waarom sodemieter je niet gewoon op? Ga, stap uit de auto en laat mij met rust”. Ik leunde over hem heen en greep de knop van de portier die onmiddellijk openzwaaide. De regen sloeg gulzig naar binnen alsof het zo snel mogelijk de laatste plaats probeerde veroveren waar het nog droog was. Ik duwde Twinkeltje naar buiten maar merkte dat hij heftig tegenstribbelde. “Alsjeblieft, het regent. Ik smeek het je. Ik ben je vriend, ik wil je helpen”. “Je bent geen vriend van mij. Je bent een verzinsel. Je bent de duivel. Niemand kan iets weten over mijn verleden. Ga”. Ik had geschreeuwd en ik had gekrijst maar voelde mij opgelucht toen de portier dichtsloeg. Snel startte ik de auto en schakelde naar de eerste versnelling. De banden van de auto gierden toen ik wegreed. De eerste meters schoten razendsnel onder mij weg en ik was vastberaden om niet meer te stoppen. Maar ik kwam evenwel niet verder dan tot het einde van de uitrit. Op die plek stopte ik en wierp een blik in de achteruitkijkspiegel. In de verte zag ik Twinkeltje. Hij zag er triest en verregend uit terwijl hij het hoofd verslagen naar de grond had gericht. Het regenwater gutste om hem heen en ik voelde mij schuldig. De aanblik schreeuwde er om terug te keren en mijn arm om zijn slanke, afhangende schoudertjes te slaan maar ‘iets’ weerhield mij daarvan. Zenuwachtig zocht ik in de binnenzak van mijn colbertjasje en vond het mes dat ik altijd bij mij had voor noodgevallen. Terwijl ik heftig tegenstand bood om niet in huilen uit te barsten knipte ik het met trillende vingers open. Het snijvlak lachte mij kameraadschappelijk toe en lichtte vervaarlijk op toen een bliksemschicht de hemel doorkliefde. Ik was nog liever dood dan dat ik met iemand over mijn verleden zou praten. Andermaal keek ik in het spiegeltje en zag dat mijn kleine blonde God, die tot een duivel was geworden, had gezien dat ik was gestopt. Schoorvoetend kwam hij in mijn richting gelopen. Johnny 21-03-2004
Alle teksten ressorteren onder JRvanDriel©copyright, tenzij anders is aangegeven. Niets van deze pagina mag elders worden geplaatst tenzij nadrukkelijke toestemming van de auteur is verleend. De teksten mogen ook niet gewijzigd, ingekort of verpersoonlijkt worden. |
|
Johnny |