Verhalen

Johnny, Wachters van de Dood

Ach, aan boord van de Bjørkelände waren we het er allemaal mee eens dat bijgeloof stonk. Alles is toeval, een stompzinnige samenloop van omstandigheden. Al het ongeluk, dat een mens op zijn weg kan vinden, is meestal rationeel verklaarbaar en eerder een gevolg van menselijk falen. Daarom waren we in de gedoemde havenplaats buiten zinnen geraakt, hadden ons bezat en het lot, ons lot, op eigenzinnige wijze uitgedaagd. De kastelein had zorgelijk gekeken en gewaarschuwd dat we achtervolgd zouden worden door de zwarte schaduw. Ons hoongelach was klaarblijkelijk een lokkreet voor de gevolgen die we over ons afriepen. We wilden het niet geloven. Zeker niet op het moment dat onze statige driemaster het anker lichtte en met gebolde zeilen het ruime sop koos.

De eerste dagen van de reis verliepen voorspoedig. De wind was ons aanvankelijk niet ongunstig gestemd en zorgde er voor dat we vaart konden maken. We lagen zelfs twee dagen voor op het schema voordat de ellende begon. Het was de koksmaat die ontdekte dat we in Kördüs, onze laatste havenplaats, bedonderd waren bij het inkopen van proviand. Goedkoop bleek duurkoop want de voorraad vlees en groenten bleken bedorven waar te bevatten. Toen de deksels van de vaten verwijderd waren drong een bedompte lijklucht door in de kajuiten. Het was de geur van een schimmel die over de rottende etenswaren lag die de lucht duf en onaangenaam maakte. Dertien vaten moesten we over boord gooien. Daarmee waren we gelijk meer dan de helft van onze rantsoenen verloren.

Het verlies van de etenswaren zou uiteindelijk nog niet zo’n ramp zijn geweest als de wind ons maar trouw was gebleven. In dat geval zouden we een tussenstop hebben kunnen maken op de Fö eilanden om nieuwe voorraden in te slaan. Hemelsbreed, van onze positie af gemeten, lag onze redding op een kleine tweetal weken varen. Maar wanneer de wind gaat liggen dan blijkt dat afstanden plotseling onberekenbaar zijn. De schatting over de reisduur worden in één klap tenietgedaan als je door een windstilte geen zeemijlen meer kan maken. Er bleef niets anders over dan water en een blauwe lucht, waarin de zon een alles verzengend warmte over ons uitstrekt. De temperaturen lopen soms op tot 40 graden Celsius en nergens is een plaats om te schuilen. Rond ons horen we de geluiden van de zee, maar de waterspiegel is golfloos. Het enige dat we kunnen doen is hopen en bidden.

Ook de watervoorraden zijn de laatste dagen behoorlijk geslonken. Iedereen staat op zuinig en de dorst slaat toe. Onze monden worden droog en we beperken het praten tot een minimum om energie te besparen. We proberen onze gedachten te verplaatsen door afleiding te zoeken in het lezen van boeken of door te kaarten. Maar de verveling slaat desondanks toch toe en we denken aan niets anders dan water. Vroeger kon het flink spoken in deze contreien. Het kon het dagenlang regenen en de wind blies met een nimmer aflatende orkaankracht. Maar die tijden zijn kennelijk verdreven en leven alleen nog maar voort in logboeken. De barometer geeft onveranderlijk hetzelfde weertype aan. We zijn aan de goden overgeleverd.

Het eerste slachtoffer was Bönk, een dekzwabber van nog geen veertien jaren oud. In leven kende men hem als een schuchtere jonge bink die noodzakelijker wijs aan de grote vaart was gekoppeld. Het was de armoede die hem tot deze keuze dwong. Deze reis was zijn eerste reis, en tevens zijn laatste. Verleden week vonden ze hem onderuit gezakt op het achterdek. Zijn bleke smoeltje was witter dan een gebleekt laken en zijn wangen waren ingevallen door de honger. Hij klaagde niet, dat deed hij nooit. Hij was te schuchter geweest om te praten en hij mistte zijn moeder die hem van de kant had uitgezwaaid. Op de kade hadden zij het verdriet om zijn vertrek gedeeld. De noodzaak had hen uit elkaar gerukt, maar niemand kon vermoeden dat dit een definitief afscheid zou worden.

Aan zijn ogen had ik kunnen constateren dat hij had gehuild. Ze waren rood en rondom waren zwarte vegen te zien. Met een korte tik aan de rand van zijn pet begroette hij me somber toen hij aan boord kwam en durfde me nauwelijks aan te kijken. Hij was bang dat ik zijn kwetsbaarheid zou zien. Het stond mannen niet om openlijk hun verdriet te laten zien. Hij praatte nauwelijks maar zijn lichaam sprak boekdelen. Het heimwee drukte als een loodzware last op zijn schouders en zijn tengere lichaam was door de zorgen getekend. Toch was hij gedienstig en deed zijn taken naar behoren.

De 1e stuurman had zijn ontzielde lichaam gewassen en zijn haren voor een laatste maal geknipt. Daarna hadden we hem in doeken gewikkeld en verzwaringen aangebracht zodat hij snel door de golven zou worden opgenomen. Hij zou niet meer terugkeren en het enige dat ik hem kon meegeven was een laatste redevoering. Gelaten keek ik naar de bemanning die zijn baar vasthielden om hem aan de zee te geven. Ik kende hun gedachten. Allen dachten zij aan de mogelijkheid dat zij de volgende zouden kunnen zijn als de wind niet snel zou terugkeren. Iedereen was uitgeput en verzwakt door de honger. Mijn hart huilde toen ik de bijbel dicht sloeg en een foto van de moeder van Bönk tussen de windsels stak. Daarna gaf ik het signaal dat men zijn lichaam moest toevertrouwen aan de zee. Ik had een vriend verloren.

Nauwelijks een dag later vond men Mølle, een matroos die zich verhangen had in zijn kajuit. Hij was een koningsklimmer uit een gezelschap van personen die zich als volleerde trapezewerkers in het wand wisten. Onbevreesd en gewiekst klommen zij tot grote hoogte om de zeilen los te maken en te spannen zodra de inval van de wind daar naar verlangde. Het waren bekwame mensen die al in alle uithoeken van de wereld waren geweest. Ze hadden vrijwel alle zeeën bevaren en de golven getemd. Maar nu was het moment aangebroken om het hoofd te buigen en hun meerdere te erkennen. Ironisch genoeg was het niet de zee die hen had overwonnen, maar moest men de overwinning laten aan een verwurgende greep van honger en dorst.

Mølle kende ik al van mijn eerste reizen. Uit hoofde van de hiërarchie had ik weinig mogelijkheden om met hem te praten, maar soms vonden we elkaar als het toeval ons op nachtelijke uren samenbracht. Dan vertelden wij onze verhalen en dronken van de wijn die op tafel stond. Hij was bedreven in het spelen van de mondharmonica en kende alle zeemansliederen uit zijn hoofd. Hij had heel graag muzikant willen worden, maar het ontbrak hem aan geld om een goede muziekopleiding te volgen. Ik had hem een beter leven gegund want ik mocht hem graag. Een man, voorheen vol levenslust was ons voor gegaan in een strijd om honger en dorst.

De 1e stuurman vloekte dat zijn diensten al weer zo snel nodig waren geweest. Hij was een ruwe bolster met een blanke pit. Zijn woorden klonken als zweepslagen maar iedereen wist dat hij een echte vriend kon zijn voor mensen die hem nodig hadden. Toegewijd, volgzaam en betrouwbaar. Een man in wie de liefde brandde toen zijn vrouw hem te vroeg ontviel. Hij was gaan varen om te vergeten, maar de dood achtervolgde hem op elke reis. We keken elkaar aan toen we afscheid namen van Mølle en hem in de golven lieten wegzinken. Alsof we beiden wisten wie het volgende slachtoffer zou zijn.

De honger en dorst hadden de manschappen tot verraderlijke wezens gemaakt. Ik kon ze dat niet kwalijk nemen omdat de zeurende pijn van ondervoeding en lichamelijke uitdroging een benauwende kwelling was. Ook ik voldeed amper meer aan mijn specifieke kwaliteiten, maar bleef voldoende ad rem om het restant zeelieden nauwlettend op de voet te blijven volgen. Ze organiseerden samenscholingen op geheime plekken op het schip maar telkens kwam ik te laat om me van hun snode plannen te vergewissen. Natuurlijk bereikte mij soms informatie van vertrouwelingen en ik had zelf ook het vermoeden dat zij het voorzien hadden op de laatste voorraden. Het leek me verstandig om extra bewaking in de keuken te zetten om het laatste restje voedsel en water te beschermen. Logischerwijs viel mijn keuze op Hölveut, mijn 1e stuurman. Ik wist dat ik op hem kon rekenen en bovendien boezemde hij ontzag in omdat hij beresterk was.

Diezelfde nacht was er een opstand uitgebroken. Een aantal matrozen had een handgemeen voorgewend om elders hun slag te kunnen slaan. Ik had het moeten doorzien, maar mijn verzwakte lichamelijke omstandigheden hadden mijn scherpzinnigheid vertroebeld en mijn geest verslapt. Impulsief rende ik naar de plek des onheil en vond daar een drietal mannen die met elkaar waren slaags geraakt. Hun gezichten stonden grimmig en in hun ogen las ik angst. Nog voordat ik bij ze was riep ik hen toe om met deze waanzin te stoppen. Maar er kwam geen reactie. Verbeten vielen ze elkaar aan. In de zon schitterde een mes.

Achteraf heeft het me niets verbaasd dat hun honger en woedde zich tegen mij keerden. De zeelui moesten een slachtoffer vinden waarop zij de uitzichtloosheid en agressie konden afwenden. Op dergelijke momenten heeft een bestaande hiërarchie geen bestaansrecht meer, dan gelden er andere regels: die van de sterkste. Ik had er beter aan gedaan om in de kajuit te blijven of om me te bewapenen. Nu was het te laat en korte tijd later voelde ik de punt van het mes op mijn keel. Het was scherp en onder de druk sijpelde een dun laagje bloed in mijn hals. Niemand nam er notie van en ik mocht me gelukkig prijzen dat ik niet ter plekke werd terechtgesteld. Nu werd ik afgevoerd naar de kajuit waar ik de deur achter me in het slot hoorde vallen.

Ik besefte dat ik de uiting van ongenoegen niet als een actie moest beschouwen die zuiver op mijn persoon gericht was. Toegegeven, ik had de gehele voedselvoorraad moeten laten controleren op versheid, maar dan had ik nog geen garantie dat er voldoende eten aan boord zou zijn geweest bij deze eeuwig durende windstilheid. Stil luisterde ik naar het geluid van de laarzen die de mannen droegen. Daaruit kon ik opmaken dat een groepje amokzaaiers de trappen afdaalden die naar de keuken leidden. Hölveut moest gewaarschuwd worden, maar voor mij was hij onbereikbaar. Ik wilde schreeuwen, tegen de muren bonken of hard fluiten maar niemand zou me kunnen horen. Mijn handen waren gebonden en men had een doek om mijn getrokken om mij het praten te beletten. Op de achtergrond hoorde ik een worsteling en een geschreeuw. Daarbovenuit klonk een beklemmende kreet van iemand die zwaargewond was. Daarna werd het stil, angstaanjagend stil. In de avonduren hoorde ik dat men Hölveut had neergestoken en dat hij was toevertrouwd aan de zee.

De volgende dag werd de deur van mijn onderkomen geopend en mocht ik weer vrij rondlopen op het dek. De honger was voor een kort moment gestild maar de voorraden waren nu werkelijk uitgeput. Er restte niks anders dan lege potten en schoongelikt pannen. Ook de vaten met drinkwater hadden hun functie verloren. Er was niets meer over. De manschappen betuigden hun spijt over het neersteken van mijn 1e stuurman. Hij was geliefd, maar de dolle woedde had de zeelui overmand. Nu de eerste honger verdwenen was kwam het realiteitsbesef bij de matrozen opborrelen en betuigde men spijt. Kort voor mijn vrijlating had de bemanning de dader berecht. Het was een snelle bespreking geweest, kort en rechtvaardig. Iedereen vond dat de dood van Hölveut beslecht moest worden. Men aarzelde niet en besloot tot een hangpartij tot de dood daar op volgde.

Het verbaasde mij dat Nøt zich had laten verleiden tot een steekpartij. Iedereen kende hem als een vredelievend mens die gedreven werd door idealen. Hij was gaan varen om zijn studie in de zeevaart te bekostigen. Ik had hem zien opgroeien aan boord. Hij was een harde werker die zich ’s avonds in de boeken wierp om zich te verrijken in een wereld waar armoede overheerste. Bij elke nieuwe vaart was hij weer een stukje op de ladder geklommen. Dan liet hij me trots zijn nieuw behaalde brevetten zien. Hij droomde er van om later aan het hoofd te staan van een aantal manschappen. Dat gunde ik hem ook en de verwachting was dat ik hem op een volgende reis de leiding zou kunnen geven over een groepje nieuwkomers. Zijn droom zou niet meer in vervulling gaan.

Ook de komende dagen kwam er geen verandering in het weer. Het bleef windstil en de vooruitzichten waren weinig hoopgevend. Ik wandelde over het dek en vocht tegen de duizelingen die mij soms probeerde te overmannen. Het waren de eerste tekenen van complete uitputting. Hier en daar lagen matrozen onderuitgezakt tegen de muren. Ze waren teveel verzwakt en onbereikbaar voor enige vorm van communicatie. Ook ik kon het niet meer opbrengen om ze aan te spreken. Dit zou ook doelloos zijn. Elk woord was er één teveel en zou geen oplossing kunnen brengen in de situatie waarin we verkeerden. Op de achterplecht zag ik Sitte, een achtentwintig jarig boefje die zich rijk gestolen had in de piraterij. Zijn handen lagen levenloos langs zijn lichaam en zijn ogen stonden uitdrukkingloos.

Hoofdschuddend begaf ik me weer terug naar mijn kajuit waar ik me in ieder geval beter zou kunnen beschutten tegen de brandende zon. Moe liet ik me in de bedstee vallen en voelde hoe mijn hoofd bonkte. Waarschijnlijk had ik koorts gekregen en brandde de hitte de laatste stukjes energie uit mijn lichaam. Ik sloot de ogen en richtte me tot God. Het was voor mij onbegrijpelijk en onaanvaardbaar dat de hoogste macht had besloten tot het nutteloze wegnemen van zoveel levens. Ik hoopte op een wonder maar zelfs als de wind nu nog zou opsteken was er onvoldoende kracht in de manschappen om het schip te sturen. Het leven zou hier eindigen. Ik sloot de ogen en viel in slaap.

De duisternis was al ingetreden toen ik wakker werd door een licht deinen van de boot. Godzijdank, we waren in beweging gekomen. Ik hoorde hoe de boog door de golven kliefde en zag aan de schommelingen van de lamp, die aan de zoldering hing, dat we een behoorlijke vaart hadden ontwikkeld. Voorzichtig probeerde ik me op te richten maar klapte meteen weer achterover. Ik was teveel verzwakt, maar leefde nog. Het was te donker om goed te kunnen zien en de witte vlokken die voor mijn ogen dansten verminderden het gezichtsvermogen. Toch herstelden mijn ogen zich en in een hoek zag ik hem zitten. Op een stoel zat een kleine blonde jongen die mij roerloos aankeek. Zijn haren reikten bijna tot op zijn schouders en zijn ogen waren helder blauw. In zijn oor droeg hij een gouden ringetje.

‘Wie ben jij?’.

‘Mijn naam is Pør. Ik ben een Wachter van de dood’.

‘Ik had me Wachters eigenlijk iets ouder voorgesteld. Jij bent nog een snotaap’.

‘Ik ben veel ouder, maar ik jouw ogen ben ik elf’.

‘Ben je alleen?’.

‘Nee. De laatste weken waren hier al veel Wachters. Voor elk bemanningslid is één Wachter aangesteld, maar sommigen zijn nu al naar huis’.

‘Je komt me halen?’.

‘Ja. Ik zal je naar het land brengen waar de zee ophoudt te bestaan en de blauwe lucht begint’.

‘Maar we varen, en ik leef. Dus er is er nog hoop’.

‘Sluit je ogen kapitein. Dan kan je zien waardoor we varen’.

Ik sloot de ogen en liet mijn geest over het dek dwalen. Het maanlicht wierp een lichte gloed over de zee en besprenkelde de voorplecht met een kristallen helderheid. Ik zweefde langs de manschappen die levenloos met hun hoofd tegen de borst geknikt tegen de muren zaten. Ik kende ze stuk voor stuk. Onder normale omstandigheden rekende ik ze tot mijn vrienden, maar de honger en dorst had ze tot mijn vijanden gemaakt. Nu konden ze niet verraderlijk meer zijn, de dood had hun leven gepasseerd. Ik hoefde hun toorn niets meer te vrezen. Peinzend tuurde ik naar de hemel en dwong mezelf om verder te gaan. De boeg, het vlijmscherpe mes die de zee tijdens al mijn reizen doorkliefde was weer in volle glorie hersteld. Vlak daarvoor zwoegden een tiental zwarte dolfijnen die aan de Bjørkelände gelijnd waren. Tot vlees geworden sleepboten. Vrienden, die de driemaster in veilige haven probeerde te loodsen. Boven mij hoorde ik geluiden. Het klapwieken van sterke zwanenvleugels. Ze bepaalden de koers en navigeerden de dolfijnen langs stroomgebieden die fataal voor hen zouden kunnen zijn. Ik keerde weer terug naar mijn kajuit waar Pør geduldig zat te wachten.

‘Het is niet de wind die de driemaster voortduwt op de zee’.

‘Nee. Je reis heeft een andere bestemming gekregen’.

‘Maar, waarom? Wat hebben de bemanningsleden jullie misdaan om zo’n lot toebedeeld te krijgen?’.

‘De Wachters hebben alleen maar willen helpen’.

‘Helpen? Godverdomme, iedereen is dood’.

‘Ze zijn niet dood, maar ze zijn aan de overkant’.

‘En jij beweert dat ze daar dan wel gelukkig zijn?’.

‘Ze zijn gelukkig. Dat waren ze hier niet’.

‘Maar je had het recht niet om hier te komen’.

‘Toch wel en we zijn daar heel voorzichtig in geweest’.

‘Hoe kan de dood voorzichtig zijn? Ze nemen levens van mensen die nog vol hoop waren, vol ideeën en levensvreugde. Niemand wilde met jullie mee’.

‘Iedereen heeft zijn keus kunnen bepalen in de schemerdood. Om het hen makkelijk te maken hebben de Wachters de vorm aangenomen van een dierbare’.

Ik zweeg en overdacht de situatie. Misschien moest ik dankbaar zijn dat Pør mij de dingen uitlegde, maar het was allemaal zo onwerkelijk. Hoe zou hij er uitzien als hij die camouflage van zich af had geworpen? Gruwelijk of bekoorlijk? Bekoorlijk was hij nu, met zijn lange, blonde lokken en zijn verrukkelijk jonge lichaam. Het maanlicht speelde zalig over zijn ontblootte bovenlijf. En hij liet dit toe alsof de essentie aan hem was verkleefd. Misschien had ik die accenten wel nodig om uit de schemerdood weg te stappen. Mijn keuze zou inderdaad een stuk gemakkelijker worden als ik zeker zou weten dat ik samen met hem in de schaduw zou kunnen wonen. Hij lachte.

‘Waarom hebben jullie mijn scheepsjongen dan als eerste meegenomen?’.

‘We wilden Bönk beschermen voor het hongerleed dat zou volgen’.

‘Welk leed? Ik had hem zelf willen beschermen. Ik zou het eten voor hem uit mijn mond sparen’.

‘Dat wisten we. Maar we wisten ook dat verder leven voor hem geen zin meer had. Hij was uitgedoofd’.

‘Natuurlijk was die uitgedoofd, hij mistte zijn moeder. Dat knaapje had heimwee’.

‘Daarom is de Wachter ook in de gedaante van zijn moeder verschenen. Om het dragelijk te maken voor hem. Het kostte de Wachter geen enkele moeite om hem mee te krijgen. Ze zijn nu samen aan de overkant’.

‘Surrogaat. Het is allemaal surrogaat’.

‘Dat wel, maar hij is gelukkig nu ze weer samen zijn’.

Ik schudde het hoofd. Natuurlijk was het beter dat je opgehaald werd door de Wachters die het sterven vergemakkelijkten door de vorm van een dierbare aan te nemen. Maar het was tevens pure misleiding.

‘En Mølle? Wat heb je voor hem verzonnen?’.

‘Hij is opgegaan in de muziek. Een vriend kwam hem halen en ze raakten met elkaar in duet. Hij op de mondharmonica en de Wachter op een gitaar. Hun spel sloot naadloos aan en was meteen van een goddelijke kwaliteit. Hij vreesde niet. Zijn besluit om mee te gaan was weloverwogen’.

‘Goed. Als zijn spel aan de overkant maar door kan gaan’.

‘Dat zal het zeker. Iedereen zal hun concerten komen bezoeken’.

‘Mijn beste vriend op dit schip was ongetwijfeld Hølveut. Hij is een afgrijselijke dood gestorven. Zijn vrienden hebben hem neergestoken, terwijl hij zo’n goed mens was’.

‘De Wachters hebben rekening gehouden met zijn wensen. Niemand zal het ons kwalijk kunnen nemen dat zijn vrouw hem is komen ophalen’.

‘Hm, dat pleziert me. Hij was verbitterd dat zijn vrouw hem zo vroeg ontvallen was’.

‘Dat probleem hebben we verholpen’.

Ik viel terug in licht gepeins waarbij ik me voorstelde dat er ook een gepaste Wachter was aangesteld voor de volgende slachtoffers die het noodlot had opgeëist. De toegewijde Nøt en de onverstoorbare Sitte kenden ogenschijnlijk veel tegenstellingen in hun karakter. De eerste baande zich een weg door de leerboeken, terwijl de ander alles had genomen wat hem niet toebehoorde. Gemakzucht en ijver stoten elkaar weliswaar af, maar op de Bjørkelände hadden zij zich beiden positief opgesteld. Zelfs samengewerkt, alhoewel ik dat met hun achtergronden voor een onmogelijkheid had gehouden. Misschien hadden hun karakters elkaar wel aangevuld waardoor ze tijdens hun werkzaamheden inschikkelijk waren. In ieder geval hadden ze respect voor elkaar.

‘Ben ik de laatste?’, concludeerde ik.

‘Ja’, antwoordde Pør. ‘En het moment dat je een keuze moet maken komt steeds dichterbij’.

‘Ik kan niet. Ik moet de gok wagen. Er zijn zoveel mensen van mij afhankelijk’.

‘Het zijn vooral kinderen die op je rekenen’.

‘Ja. Weeskinderen’.

‘Als je wilt dan kunnen we al je kleine vriendjes gaan ophalen’.

Ik schudde het hoofd. God wist dat ik versmolten was met het lot van kinderen die alleen waren komen te staan in het leven. Ik werkte voor ze en het grootste deel van het geld dat ik tijdens mijn reizen verdiende schonk ik aan de kerkelijke instelling die het jongens internaat beheerde. Het grote herenhuis aan de gracht, daar woonden de eenzamen in afwachting wat het leven hen nog te bieden had. Telkens als ik terugkeerde naar de thuishaven bracht ik een bezoek aan het weeshuis en schonk de jongens presentjes die ik uit de verre landen had meegenomen. Ze beschouwden mij als hun vriend en keken telkens uit naar mijn thuiskomst. Soms stonden er een aantal van hen op de kade te wachten als het schip binnenvoer sprongen ze spontaan om mijn hals zodra ze daartoe de kans kregen. Ik hield van ze en wilde ze beschermen.

‘Ik wil die kinderen niet meenemen. Ik wil dat ze een goed leven krijgen’.

‘Hm. De wijzen hadden me al gewaarschuwd dat het moeilijk is om met je te onderhandelen’.

‘Tja. Ik zou het verschrikkelijk vinden als ik mijn levensdoel zou moeten loslaten’.

‘Maar denk je eens in dat je een eeuwig leven met mij kan doorbrengen aan de overkant. Lijk je dat niet zalig?’.

‘Dat is inderdaad iets dat ik graag zou willen, maar…’.

‘Waar kan je nog zo’n mooi vriendje als ik ben vinden? Een vriendje dat trouw zal zijn en die nooit ouder zal worden’.

‘Je doet mijn hart smelten Pør. Maar er komt misschien wel een andere gelegenheid’.

‘Dat is zeker, maar dat moment zal je dan niet meer met mij delen. Als ik niet slaag in mijn missie dan zal een andere Wachter mijn taak in de toekomst overnemen. Bovendien is de kans klein dat je deze zeereis zal overleven. Als je geen keuze maakt in de schemerdood dan zal je tussen wal in schip invallen en zal je geest voor altijd ronddolen over de zee’.

Ik overwoog zijn uitspraken. Kennelijk leverde het voor hem ook problemen op wanneer hij me niet aan de overkant kan afleveren. Wellicht zou hij geschorst worden uit de gilde van de Wachters of restte hem een ander lot. Ik durfde het niet te vragen, maar was bereid om te onderhandelen.

‘Pør, ik kan alleen maar met je meegaan als je me één ding kan verzekeren’.

‘En dat is?’.

‘Dat er voldoende geld is om voor mijn jongens in het weeshuis te zorgen’.

‘We kunnen er voor zorgen dat je schip gevonden zal worden. Uit de opbrengsten van de verkoop van de lading en de driemaster kan het weeshuis tientallen jaren voor jouw kinderen zorgen’.

Eindelijk waren we tot een compromis gekomen die mijn keuze werkelijk vergemakkelijkte. Ik zuchtte omdat het moment aangebroken was dat de dood zijn vonnis kon voltrekken. Ik was klaar voor de reis naar de overkant. Pør kwam langzaam op mijn bedstee afgelopen en trok de dekens weg. Voorzichtig kwam hij naast me liggen en legde zijn hoofd in de holte van mijn schouder. Hij kuste mijn wang raakte mijn lippen met mijn vingers.

‘Kom, laten we het doen’, zei hij. ‘Dat maakt het sterven gemakkelijker’.

Terwijl de Bjørkelände, omringd door vogels, voortgetrokken werd door een tiental zwarte dolfijnen bedreef ik de liefde. De enige geluiden die we van buiten hoorden was het ruisen van de zee en het krachtige slaan van de vleugels van de zwanen. Ik stierf een feeërieke dood om nooit meer terug te keren.

‘Vaarwel wereld, ik ga met Pør’.

Johnny, 18/20-05-2002

Dis verhaal is eerder verschenen bij Boefjes & Scheetjes

Alle teksten ressorteren onder JRvanDriel©copyright, tenzij anders is aangegeven. Niets van deze pagina mag elders worden geplaatst tenzij nadrukkelijke toestemming van de auteur is verleend. De teksten mogen ook niet gewijzigd, ingekort of verpersoonlijkt worden.

Johnny

terug naar boven