Johnny, Fragmenten intro 1 2 3 4 5
Dichter bij God …Ik haat het als het zo warm is, zeker als het daarbij erg benauwd is en het zweet van mijn lichaam gutst zonder dat ik mijzelf daarvoor enige inspanning hoef te getroosten. Nee, ik ben geen zomerkind, nooit geweest. Eerder zal ik de herfst aanbidden omdat het geriefelijk is om thuis te zijn en jezelf geborgen te weten als de regen tegen je raam striemt en de wind om de hoeken van je woning giert. Misschien straf ik mijzelf daarmee maar ik heb altijd al een diepgewortelde hekel gehad aan de droge stilte van de zomer omdat ik weet dat alle vrienden en kennissen voor een aantal weken voor vakantie in het buitenland vertoeven terwijl ik in dit bekrompen kippenlandje ben achtergebleven. Als ik naar de hemel kijk dan zie ik een strakblauwe lucht waarin slechts een enkel wit wolkje is achtergebleven. Het is net of dat die eenling afgedwaald is van de kudde en op zoek is naar een watertje waar het gezellig met zijn soortgenoten kan drinken om daarna terug te keren en de aarde te besprenkelen met een verfrissende regenbui. Ik weet het niet meer en richt de grote ventilator die ik vorige zomer heb gekocht naar het balkon en sleep er een keukenstoel heen die ik in de koelte van de wind zet. Het idee dat ik daardoor minder ga zweten is een leugen, een keiharde leugen want de transpiratie vloeit rustig voort en geeft mijn haar een plakkerig gevoel. Ik sta andermaal op om mijn polsen en gezicht op te frissen onder de kraan. Plots valt mijn herinnering op mijn oude gitaar en pak het akoestische ding uit de slaapkamer. Jarenlang is het instrument verscholen geweest in een hoes en ik vraag mij af waarom de hals nog niet is krom getrokken door de warmte. Mijn eerste gitaar die ik kreeg was een Egmond, jazz combo gitaar, die mij veel vreugde had gebracht totdat die ouder werd en streken begon te vertonen. Een dokter zou zeggen dat hij artrose had maar na het spelen kreeg je eerder het gevoel dat de artrose in je vingers was overgegaan omdat ze stijf waren geworden door het krampachtig indrukken van de snaren. Daarna was ik overgestapt naar elektrisch en werd betoverd door het versterkte geluid dat uit mijn radiospeakers kwam. Met twee elementen op de kast had je al een aardige keuze in de klankkleuren maar daarnaast kon je de output ook regelen via de knoppen op de radio. Het solowerk moest schel zijn, bijna snerpen terwijl de bastonen een donker karakter dienden uit te stralen. Voor alles was een stand te vinden om de gitaar te laten klinken zoals je uiteindelijk wilde. Op die manier leerde ik dat bij elke humeurwisseling in het leven een muziekje paste. De vrolijkheid van het jong zijn, de mineurklanken voor het verdriet en de meer ingewikkelde technische stukjes voor als ik ideetjes had. Maar bovenal gebruikte ik het instrument als een klankkast om mijn stemmingen te vertolken. Nu, na zoveel jaren onaangeraakt te zijn, leek de gitaar vreugdevol te willen klinken maar op dit moment had ik daar weinig zin in. Ik voelde mij alleen en had behoefte aan een stevige blues die je gevoelens kon openbreken om een lekker te huilen. Ik liet mij achterover zakken op de stoel die ik op het balkon had gezet en slingerde mijn blote voeten op de rand waardoor mijn tenen de gelegenheid kregen om te zien wat zich daar beneden afspeelde. Na een flinke teug uit het flesje bier dat in de schaduw van mijn stoel verscholen stond draaide ik aan de stelknoppen totdat ik de juiste toonhoogte had bereikt. Daarna tokkelde ik ietwat onwennig met mijn vingers op de snaren. “Verdomde wereld”, vloekte ik onder mijn tranen vandaan. “Waarom heeft het leven mij opgedragen om een boylover te worden? Waarom kon ik niet samen zijn met een vrouw die mijn eenzaamheid kon doen vergeten? Waarom had ik geen kinderen? Ik zou God zo dankbaar zijn geweest met een zoon”. Het bier smaakte en maakte mijn vingers los en ik probeerde een aantal riffs uit die ik in een vroeger tijdstip in het leven had geleerd. Langzaam werden nieuwe bluespatronen geboren, die niet écht nieuw waren maar omdat ik ze zo lang geleden nog had aangeroepen leek het alsof de muziek als nieuw uit mijn instrument kroop. Ik pakte de strooien hoed die aan een spijker tegen de muur van de waranda hing en schoof die schuin over mijn ogen. Met een gebroken stem begon ik aarzelend mee te zingen. Het was dezelfde stem waarmee ik mijn young friends van weleer in slaap had gezongen met teksten van de bekende troubadour Donavan Leitch: “Who could have make you cry?”. Ik glimlachte bij de gedachten aan vroeger. Het deed mij goed en aan de andere kant doorboorde de eenzaamheid mij met de verraderlijkheid van vlijmscherp mes. Ik waande mij even een verstokte oude pedofiel te zijn die werkeloos moest toe zien terwijl de kinderen vrolijk en ongeremd op het gazon onder zijn woning speelden. Te oud, dichter bij God, de werkelijke verlossing. “Wish I was a catfish, swimming in the dee-heep deep blue sea. Wishing that all the blond boys come fishing up to me”. Ik spuwde op de grond en probeerde het afvoerputje te raken maar mijn rochel miste zijn doel glansrijk en droop langs het plintje op de betegelde grond. Ik haalde onverschillig mijn schouders op en zette een nieuw nummer in terwijl ik schuin van onder de schaduwrand van de hoed keek. Hier en daar waren buren op het balkon gekomen en neuriënde zachtjes mee in het ritme dat ik speelde. “Hate to see the evening sun goes down, ‘cause my little baby, he ‘s going to leave this town”. Ik herinnerde mij het verdriet toen de ouders van een buurjongetje van wie ik zielsveel hield zo nodig moesten besluiten om te gaan verhuizen. Mijn onmacht en verdriet dropen van het oude bluesnummer dat ik speelde. Ik voelde mij aangetast, aangevreten door mijn herinneringen en dook in de ijskast voor een nieuw flesje drank. Het smaakte koel, als ijswater. Buiten op het balkon keek ik opnieuw naar de hemel en vroeg mij af of God ook een waranda zou hebben waardoor je kon kijken naar de kinderen die op de grazige weiden speelden, dolle pret hadden tijdens hun stoeipartijen en elkaar probeerden te overwinnen in een pittig partijtje voetbal. Het leven glijdt ongemerkt verder en elk jaar ben ik dichter bij God. Maar toch … als ik zover ben dan wil ik weten of je vanaf zijn balkon ook kan gluren over de randen van de badhokjes naar de jongetjes die zich daar staan te verkleden. Al was het alleen maar om te zien hoe hun bolwangetjes op hun rug samenknepen als zij op de plank klommen die je kon neerklappen om de deuren aan weerszijden te blokkeren. Ik hoefde niet meer met hen samen te zijn, alleen maar kijken. Dat zou voldoende moeten zijn, die gedachten stond mij wel aan. Misschien zou het ook mogelijk zijn om vanaf zijn balkon te dwalen over de bosrijke omgeving met de beekjes en plasjes om bij de jongetjes te zijn die daar visten. Dan zou ik rustig over hun schouders meekijken en luisteren naar de gespannen adem en met ze mee juichen als ze een vis aan de haak konden slaan. Het meest gelukkig zou ik zijn als ik vanaf het goddelijke balkon ook in de slaapkamertjes kon afdwalen om de slaapdronken rakkers veilig naar dromenland te zingen. Elk jaar ben kom ik dichter bij God. Ik heb mijn gitaar alvast klaargezet, voor het geval hij nog een troubadour zoekt. 08-08-2004 Johnny Alle teksten ressorteren onder JRvanDriel©copyright, tenzij anders is aangegeven. Niets van deze pagina mag elders worden geplaatst tenzij nadrukkelijke toestemming van de auteur is verleend. De teksten mogen ook niet gewijzigd, ingekort of verpersoonlijkt worden. |
|
Johnny |