Verhalen

Johnny, de DroomMeneer

Terwijl hij door de straat liep vroeg hij zichzelf af of hij oneerbiedig zou lijken als hij zou aanbellen. Per slot van rekening had hij de oude man regelmatig uitgefloten en gehoond als hij hem op straat tegenkwam. Het wás ook een lachwekkend schouwspel geweest. Iedereen had toch kunnen zien hoe de oude kerel langzaam en stuntelig vooruit schuifelde als hij boodschappen ging doen. Het was bijna clownesk. Zelfs het kale keffertje dat hem altijd vergezelde was sneller dan de man. Die ene dag waren ze telkens rakelings langs hem heengelopen, schreeuwend en vloekend totdat de man stil hield. Hansje had hem een duw gegeven waardoor hij gevallen was. Daarna had iemand met kluiten aarde gegooid. Bij elke voltreffer hadden zij gejuicht. Het feest had niet zolang geduurd want snel was er iemand gekomen om de oude man op de been te helpen en had de jongens weggejaagd.

Maar nu schaamde hij zich omdat hij die grijsaard heel hard nodig had. Als de man hem herkende dan zou hij hem vast niet meer helpen. En tóch, tóch moest hij het proberen anders zou zijn vriendje ten dode zijn opgeschreven.

Met zijn handen diep in zijn zakken hield hij stil in de portiek en las de naamplaatjes. Iemand had de echte naam van de man genoemd maar in de groep noemden zij hem altijd "Bochel". Hij glimlachte toen hij aan die naam dacht want daarmee dacht hij ook aan de gekromde houding waarop de man zich over straat voortbewoog. "Opa" zal er zelf niet om gevraagd hebben en misschien…misschien was hij op hun leeftijd wel even fier en dapper zoals zij dat nu waren. Misschien kon hij vroeger zelfs wel beter voetballen en beter in bomen klimmen dan de jongens van nu. "Je weet maar nooit", had moeder hem gezegd. Ook zij kende hem niet maar ze had verhalen gehoord over dat hij "iets" met jongetjes had gehad en daardoor een lange gevangenisstraf had uitgezeten. Ze had hem nooit willen vertellen waaruit dat "iets" bestond maar hij was nu oud genoeg om te weten dat het iets met seks te maken moest hebben.

Eigenlijk vond Sjors het wel spannend. Bij de padvinderij kende hij ook iemand bij wie je niet al te dicht in de buurt moest komen. Als hij je in je vingers kreeg dan liet hij je nooit meer los. Dan begon hij steevast je schouders te masseren en als je niet uitkeek dan legde hij stiekem zijn hand op je buik of streelde hij je aan de binnenkant van je benen. Eigenlijk had hij het altijd wel een lekker gevoel gevonden. Het kietelde plezierig en als de ‘hopman’ zo dicht tegen je aan hing voelde hij alle spanning van zich af vallen. Hij wist van zijn vriend Henk, die vaak bij hem op visite kwam, dat je veel geld kon verdienen als hij een stukje verder mocht gaan. ‘Extra zakgeld’, riep hij dan als hij terugkwam en de jongens trakteerde op heerlijke patat met mayonaise. Omdat ze Henk niet wilden verraden waren ze nooit naar de politie gegaan maar als zijn vriend ooit nog eens door die "hopman" in problemen zou komen dan zou Sjors zeker niet zwijgen.

Toen hij aanbelde schrok hij even. De hond sloeg aan. Nu Sjors alleen was klonk het gevaarlijker dan toen hij met de hele groep aan het belletje trekken was. “Onzin”, vermande hij zichzelf en wachtte op de dingen die zouden volgen. Hij had verwacht dat het wel wat langer zou kunnen gaan duren maar al snel hoorde hij gestommel in de gang. Dit was zijn laatste kans om weg te rennen. Dan kon hij in ieder geval aan de groep vertellen dat hij het geprobeerd had. Hij was tenslotte al verder gekomen dan menig ander. Zijn vrienden zouden hem toch wel bejubelen om zijn heldendaad. Maar toen Sjors was uitgedacht was het al te laat. De voordeur kierde open en stond hij oog in oog met de man die hij nog niet zo lang geleden had beledigd.

“Oh, jij. Waar haal je het lef vandaan om hier aan te bellen?”, sprak de oude man vol herkenning terwijl hij de voordeur probeerde dicht te duwen.

Sjors was sneller en had zijn voet brutaal in de deuropening gezet.

“Wacht, wacht”, had hij geschreeuwd. “Ik wil U iets vragen. Ik kom niet om U te plagen”.

“Ook in dat geval ben je hier niet welkom. Ik heb zo wie zo mijn buik vol van die kleine kwelduiveltjes die mijn leven vergallen. Sodemieter maar op”.

“Ik heb een cadeautje voor U mee genomen”, stak Sjors zijn hand uit waarop twee baaltjes shag lagen.

Er viel een korte stilte waarin de oude man de jonge bezoeker goed bestudeerde. Even dacht Sjors een lichte spot in zijn ogen te zien oplichten. Of was het bewondering? Hij haalde die dingen altijd door elkaar.

“Mag ik bij U binnenkomen? Ik wil iets met U bespreken”.

“Dan moet het wel heel erg belangrijk zijn. Een aantal weken geleden behoorde je nog tot dat groepje kinderen die mij omver duwde en gooiden jullie mij met kluiten om de oren. Een grotere minachting heb ik in mijn leven nog nooit gezien. Eigenlijk zou ik er beter aan doen om meteen de politie te bellen of de hond op je los te laten”.

“Alstublieft”, smeekte Sjors terwijl hij zijn handen samenvouwde.

De oude man zuchtte en zwaaide de deur een stukje verder open om Sjors door te laten. Onze vriend was blij. In ieder geval kreeg hij nu een kans en die mocht hij niet verzieken. Zeker niet nu er zoveel belangen op het spel stonden.

Terwijl Sjors in het halletje stond sloeg de deur, als door een onzichtbare hand bewogen, achter hem dicht.

“De deur…”, stamelde onze vriend geschrokken.

“Wat had je dan gedacht? Mijn huis zorgt er wel voor dat mensen binnen blijven”.

“Je bedoelt...?”

“Ja, dat bedoel ik. Mijn huis leeft. Net zoals jij en ik leven”.

“Maar? Gebeurt dit nu écht of droom ik?”

“In dit huis is niets dat gelijk is aan de buitenwereld. Hier regeert de fantasie en de onwerkelijkheid. Bijna alles is hier zo onwerkelijk dat het weer werkelijk wordt. Trek je er maar niks van aan”.

Het ging allemaal veel te snel voor Sjors. Bijna alles wat de oude man tot nu toe had gezegd kreeg een behoorlijke strekking. De jongen overhandigde zijn jack aan de oude man die het kledingstuk aan de kapstok ophing. Daarna ging hij hem voor naar de huiskamer.

Toen de deur openzwaaide zag Sjors wat hij had verwacht: een rijk gemeubileerde kamer waar de grondkleuren overheersten. Een eikenhouten bankstel wachtte uitnodigend en de pracht van de dichtgetrokken velours gordijnen straalden een liefdevolle warmte uit. Hier en daar waren kaarsen ontstoken. De twee schemerlampen in de hoeken wierpen een gelig licht over het hoogpolig tapijt dat op de vloer lag. Aan de muur hingen enkele schilderijtjes met afbeeldingen van familieleden en aan de linkerzijde van de kamer knetterde de vlammetjes gezellig in de openhaard.

“Wauw, dat ziet er knus uit”, dacht Sjors hardop.

“Ik heb de kamer ingericht zoals jij dat graag zou willen zien”.

“Hoe bedoel je? Wist je dan al dat ik zou komen?”

“Dat niet. Maar ik heb razendsnel door je gedachten gelezen en weet dat je dit interieur het gezelligste vind. In werkelijkheid ziet mijn kamer er heel anders uit”.

“Maar, het is toch onmogelijk om je kamer er anders te laten uitzien?”

“Niets is onmogelijk. Het enige dat iets onmogelijk kan maken dat zijn de grenzen die jij aan jezelf oplegt. Doe je ogen maar eens dicht en tel tot vijf. Daarna mag je mij vertellen hoe mijn kamer er dan uit ziet”.

“Eén, twee, drie, vier…”.

“Wacht. Er staat nog iets niet op zijn plaats”.

Sjors hield de ogen gesloten en wachtte op het seintje dat hij ze weer mocht openen. Hij vond het vreemd wat er gebeurde maar het was net zo goed wonderbaarlijk en avontuurlijk. Als er niks veranderd zou zijn dan zou hij toch zeggen dat alles anders was. Al was het alleen maar om de oude man gelukkig te maken. Het geluid van een knip van de vingers deed hem opschrikken. Hij opende zijn ogen en…

“Hoe heb je dat in godsnaam zo snel voor elkaar gekregen?”, sprak Sjors verbaasd. “Volgens mij kan je écht toveren”.

“Vertel mij liever wat je ziet”.

“Alles is hier ineens zo licht. Net of het dag is”.

“En wat zie je nog meer?”.

“De meubelen zijn doorzichtig”.

“Klopt. Ze zijn gemaakt van gehard ijs”.

“En de muren? Zijn die van kristal?”

“Lik er maar aan”.

“Lik er maar aan?”

Sjors deed een paar stappen naar voren en trok een vies gezicht. Stel je voor. Een paar minuten geleden kende hij de oude man amper en nu stond hij aan de muur van de huiskamer te likken. Als zijn vrienden hem zouden dan verklaarden ze hem zeker voor gek.

“Nou? Wat proef je?”.

Onze vriend stak zijn tong uit en likte langs de kristallen wand.

“Het is suiker. Hmmm, dat is lekker”.

“Dat is zeker lekker. Maar ik verander de kamer weer terug. Dan kan je in alle rust vertellen wat je hier komt doen”.

Toen Sjors zich omdraaide was de huiskamer weer net zo als hij die de eerste keer had gezien. De oude man gebaarde hem om te gaan zitten terwijl hijzelf in een comfortabele fauteuil neerplofte. Zoals hij er nu uitzag leek hij helemaal niet meer op de ‘Bochel’. Eerder toonde hij als een trotse, fiere Opa die zijn aandacht besteedde aan zijn kleinzoon. Zo voelde Sjors het ook een beetje. Verleden jaar was zijn Opa overleden en hij mistte hem nog elke dag. De eerste dagen na de begrafenis was hij nog behoorlijk boos geweest. Alle dingen die Opa had beloofd hadden hem in verwarring gebracht. Ze zouden samen nog naar de Efteling zijn gegaan; ze zouden samen nog in het kanaal zijn gaan vissen en hij mocht tijdens de vakantie komen logeren. Daar was nu allemaal niks van terecht gekomen. Hij begreep wel waarom maar hij voelde zich daarbij zo machteloos. Hij had zich er nooit bij kunnen neerleggen dat Opa…

“Mag ik voor je komen zitten in de stoel?”, schrok Sjors plotseling van zijn eigen vraag.

De woorden waren zomaar ‘losgeschoten’. Zomaar, vanuit het niks. Het leek wel of iets anders zijn gedachten bestuurde. Normaal wilde hij nooit zoveel van zichzelf laten zien maar bij deze oude man was alles anders. De sfeer was zo rustig en het was er zo gezellig en…hij deed hem sterk aan Opa denken.

“Je wilt zeker getroost worden?”

“Beetje”, hakkelde Sjors. “Maar hoe weet U dat allemaal? U kent mij niet eens”.

“Ach, vertel mij wat. Ik weet hoe jongetjes in elkaar zitten”.

Enkele seconden later had Sjors zich voor de man genesteld en liet zich ontspannen achterover zakken. Hij genoot van de sterke armen die om hem heen geslagen lagen. Ze gaven bescherming en deden nieuwe hoop in hem stromen.

“Bent U nog boos?”

“Ik word alleen boos als jullie nog een keer met kluiten gaan gooien”.

“Dat zal niet meer gebeuren Opa. Mag ik U Opa noemen. Alstjeblieft?”

“Daar zal ik nog eens over nadenken. Vertel mij eerst maar waarvoor je komt”.

Sjors slikte. Het verhaal. Zíjn missie. Hij was het nog niet vergeten. Maar het leek nu allemaal een stuk moeilijker om te vertellen. Een gekke gewaarwording eigenlijk want hij stond nu dichterbij de oude man als hij ooit had kunnen inschatten.

“Ik weet niet waar ik met mijn verhaal moet beginnen”.

“Probeer maar. Alles heeft een begin. Soms is dat begin onduidelijk maar als je verder praat dan zal het wel opheldering brengen”.

“Weet U al wat ik wil gaan vragen?”

“Nee”.

“Het gaat over mijn vriendje. Ik kom hier niet voor mijzelf”.

“Welk vriendje? Bedoel je Martin?”

“Ja. Hoe weet U zijn naam?”

“Zomaar. Ik dacht dat je die naam al genoemd had”. “Ik ben nog niet eens aan mijn verhaal begonnen. Hoe kan ik dan zijn naam al genoemd hebben?”

“Je hebt gelijk. Misschien is het wel gewoon toeval”.

“Oké. Mijn vriendje Martin heeft een probleem. Hij staat droog”.

“Drinkt hij dan zoveel?”, hikte de oude man terwijl zijn buik op en neer ging van het lachen.

“Nee. Dat bedoel ik niet. Ik bedoel dat hij niet meer kan dromen”.

“Oei, dat is wat lastiger. Ik dacht eerst dat het met drank te maken had”.

“Opa, U moet niet lachen. Hij verkeert écht in levensgevaar. Als hij niet meer kan dromen dan gaat hij vast en zeker dood”.

“Uh, uh...”, onderbrak de oude man het betoog van Sjors terwijl hij bezwerend met zijn wijsvinger zwaaide.

“Je noemde mij Opa. Heb ik je al gezegd dat ik daar nog even over wilde nadenken?”.

“Sorry, meneer. Ik voel mij zo verschrikkelijk verdrietig. Als hij dood gaat dan kan ik niet meer met hem spelen. Hij is mijn beste vriend, weet U”.

“Ja. Dat stukje van je vraag heb ik maar al te goed begrepen. Maar waarom kom je hier bij mij aan met die vraag?”

“De mensen hebben gezegd dat U dromen kan repareren. Zij hebben mij verteld dat de dromen bij U beginnen”.

“Misschien”.

“Ja, wat is dat nou voor antwoord? Misschien? Misschien wat?”

“Ik repareer dromen maar het meeste moet uit de kracht van de mensen zelf komen”.

“Maar wat moet ik dan doen? Iemand die niet meer kan dromen gaat verloren in deze wereld. Kan U hem niet helpen?”.

“Ik kan wél helpen maar dat is niet zonder risico”.

“Hoe bedoelt U?”

“Ik bedoel daarmee dat ik een droomproductie wel weer op gang kan helpen maar daar heb ik wél de hulp bij nodig van iemand die heel erg veel van hem houdt”.

“Zijn vader en moeder?”

“Die nou juist niet. Zijn vader en moeder houden van hem omdat hij hun zoon is. Ze houden altijd van hem. Dat is te vanzelfsprekend. Ik heb daar eigenlijk iemand voor nodig die hem als vriend heeft geaccepteerd”.

“Daar kom ik zeker voor tekort?”

“Daar schuilt nu juist het gevaar. Ik heb jouw kracht nodig. Als blijkt dat je niet genoeg van hem houdt dan zal je samen met hem sterven. Híj omdat hij niet meer kan dromen en jíj omdat jullie vriendschap eigenlijk maar een illusie was”.

Sjors slikte. Martin was zijn enige steun en toeverlaat. Zijn beste vriend. Zonder hem zou het leven niet meer hetzelfde zijn. Maar wat als hun vriendschap niet meer betekende dan een los omhulsel? Als dat zo zou zijn dan zou hij zijn eigen vader en moeder niet meer terugzien. Dan zou hij sterven. Dan zou hij… Een beslissing nemen viel hem zwaar. Wat moest hij voorrang geven? Zijn liefde voor zijn vriend of de liefde voor zijn ouders? Hij bedacht dat zijn leven alleen maar rijker kon worden als hij zou geven. Maar wilde hij dat écht?

“Moeilijk hé?”, onderbrak de oude man de gedachten van Sjors.

“Ja, ik weet het nog niet”.

“Als je het niet weet dan moet je het niet doen. Het betekent wél dat jullie vriendschap eigenlijk geen echte vriendschap was”.

De ogen van Sjors begonnen te tranen. Hij hield zo vreselijk veel van Martin maar ook héél erg veel van zijn ouders.

“Kan U mij raad geven?”

“Dat kan ik wel maar dat doe ik niet. De keuze moet rechtstreeks uit je hart komen. Anders kom je kracht te kort om je vriend te helpen”.

Sjors zuchtte. De keuze was te verwarrend om er ineens een goed antwoord op te geven. Maar toch kon hij niet te lang wachten. De doktoren hadden verteld dat Martin nog maar enkele dagen te leven had als zijn dromen nog langer zouden uitblijven.

“Oké. Ik doe het”.

De oude man knikte bedachtzaam.

“Je weet het zeker? Je kan er je leven bij laten”.

“Dat weet ik. Maar ik moet alles doen om Martin te redden. Hij is mijn vriend en…”

“Dan is het goed. Doe je kleren maar uit en ga maar op bed liggen”.

“Moet ik alles uittrekken?”

“Jawel. Anders slaagt de toverspreuk niet die ik ga uitspreken”.

Sjors voelde hoe zijn hart in zijn keel bonkte toen de oude man hem voorging naar de slaapkamer. Allerlei soorten gedachten speelden door zijn hoofd. Had hij de juiste keuze gemaakt? Hoe zou de dood zijn als hij kracht tekort zou komen? Was de dood als een lange nacht waarin nooit wat gebeurde en waarin hij bang was dat geesten hem zouden vangen? Of was de dood een bevrijding en zou hij daardoor zijn Opa weer terug kunnen zien? Dat laatste gaf hem kracht. Het zou heerlijk zijn om weer samen met zijn Opa te gaan vissen. Het zou fantastisch zijn om weer te kunnen luisteren naar zijn verhalen.

“Leg je kleren maar daar neer”, wees de oude man naar de stoel.

Aarzelend knoopte hij zijn overhemd los. Hij had het nog gekregen voor zijn verjaardag. Even later hing het langs zijn schouders en de oude man hielp hem om het verder uit te trekken.

“Ben je bang?”

“Beetje”.

“Je kan nu nog terug”.

“Ik wíl niet meer terug. Ik kán niet meer terug. Ik moet mijn vriend helpen”.

“Dát zijn de woorden die ik wil horen”.

Het leek erop of onze vriend in een roes verkeerde. Hij hoorde de geluiden om hem heen en zag wat er gebeurde. Toch kon hij er nauwelijks op reageren. Ieder moment kon hem een beloning brengen. Of hij zou zijn vriend redden óf hij zou verenigd worden met zijn Opa. Hij besefte steeds meer hoe hij zijn grootvader miste. Toen hij zich ontdaan had van zijn broek en ondergoed kroop hij voorzichtig op bed.

“Doet het pijn, al dat getover?”

“Je zal er niks van merken, lieve jongen. Je hebt een goed hart”.

“Echt?”

“Zeker weten. Ik ben trots op je dat je deze stap durft te nemen. De vriendschap met Martin moet wél heel erg veel voor je betekenen”.

“Ik doe alles voor het leven van mijn vriendje. Maar ook voor mijn Opa”.

“Dat is maar goed ook. Doe je ogen maar dicht en probeer te slapen”.

“Te slapen?”

“Ja. Neem je rust. Als je weer wakker wordt dan zal je jezelf niks meer herinneren van deze ontmoeting”.

“Maar ik wil juist dat ik alles nog kan herinneren als ik wakker wordt”.

“Waarom?”

“Omdat ik U niet wil vergeten. U bent zo lief voor mij”.

“Ik ben alleen maar een oude man die jullie omver hebben geduwd en naar wie je met kluiten hebt gegooid. Mijn rol is van generlei betekenis. Ik ben slechts een nietig mens”.

“Dat is niet waar. Ik heb verkeerd gedaan. Daar heb er spijt van. Alsjeblieft, geloof mij toch. Blijf bij me. Ik hou van U”.

Plotseling overviel hem een hem een ijzige vermoeidheid en viel Sjors in een diepe slaap. Op de achtergrond hoorde hij de oude man nog praten.

“Als je weer wakker wordt dan ben je alles vergeten. Je vriendje Martin zal blijven leven omdat hij weer zal dromen en je zal mij vanaf nu Opa mogen noemen. Niet omdat ik voor Opa wil spelen maar omdat ik je Opa bent. Welterusten lieve knul. Je bent de dapperste jongen die ik ooit heb leren kennen”.

Daarna waakte Opa over zijn kleinzoon.

En de DroomMeneer, die wachtte tot de jongen weer wakker zou worden.

Ooit.

Johnny, 30-11-2002

Alle teksten ressorteren onder JRvanDriel©copyright, tenzij anders is aangegeven. Niets van deze pagina mag elders worden geplaatst tenzij nadrukkelijke toestemming van de auteur is verleend. De teksten mogen ook niet gewijzigd, ingekort of verpersoonlijkt worden.

Johnny

terug naar boven