Verhalen

Jatagan, het verdriet van Adjoe

Hij is ver van huis. Hij is sterk en heeft altijd zijn mondje bij zich. Maar toch zijn er momentje dat die kleine schreeuwlelijk zich van een andere kant laat zien. Heel stiekem. En soms. Dan laat hij even toe dat je in hem kan kijken. Maar niet voor lang en als het moment daar is dan mag alleen Jeetje het zien. Als ik over de gang loop dan hoor ik gesnik. Zachtjes, gedempt en af en toe hoor ik mijn kleine broertje sussende woorden zeggen. Bijna onhoorbaar open ik de deur van hun kamertje en zie hoe Adjoe zijn buik op het bed ligt. Zijn gezicht is diep verscholen in het kussen. Naast hem zit Jeetje die hem zachtjes over zijn schouders wrijft. Adjoe huilt en Jeetje doet moeite om niet met hem mee te janken. Dat kost hem duidelijk veel moeite want het doet hem pijn als zijn kameraadje verdriet heeft.

“Je mag niet naar huis gaan. Je hoort hier. Wij houden van je.”

Ze praten in het Maleis, maar ik begrijp dondersgoed waar ze het over hebben. Jeetje buigt zich voorover en geeft Adjoe tientallen kusjes op zijn gitzwarte haar. Dan drukt hij zijn wang tegen zijn achterhoofd. Heel even zie ik hoe verkrampt mijn broertje. Hij doet zijn best om zijn levensgezel te troosten. Adjoe balt zijn vuisten en slaat een paar maal flink op zijn
matras. Hij is boos en verdrietig tegelijk. Dan ziet mijn Jeetje mij en snelt naar de deur die hij met een ferme klap voor mijn neus dichtslaat. Ik mag het niet zien. Dit moment willen zij voor zichzelf delen en waarschijnlijk zal Jeetje gedacht hebben dat niemand anders Adjoe beter begrijpt dan hijzelf. Ik zet door, open de deur en loop de kamer in. Jeetje ligt weer gebogen over hem heen alsof ik een boze man ben en hij zijn vriendje met zijn leven wil beschermen. Even later strijk ik hem door zijn haar. Hij is radeloos en begint ook te huilen.

“Ga maar naar Mama,” geef ik hem de beste raad te die ik kan bedenken.

Hij rent weg en op de gang hoor ik hem wanhopig schreeuwen: “Mama. Adjoe wil naar huis. Hij vindt het hier niet meer leuk.”

Stil kijk ik naar het mannetje dat op het bed ligt. Hij schaamt zich voor zijn tranen en probeert zijn gezicht nog meer in het kussen te stoppen.

“Ga weg jij,” probeert hij mij weg te duwen. “Jij houdt toch niet van mij.”

Als hij even later opkijkt ziet hij dat het niet heeft geholpen. Ik zit nog steeds naast hem op bed. Hij draait zich om en ik wordt verrast door zijn schoonheid. Zijn zwarte haar zit woest door elkaar alsof hij tegen de wind heeft gevochten en zijn grote, diepbruine ogen schitteren door het traanvocht. Heel langzaam lopen de tranen als parels langs zijn wangen. Hij doet alsof hij niet huilt en doet dan ook geen moeite om zijn wangen te drogen.

“Wat is er aan de hand? Heb je ruzie gehad met Jeetje?”

“Ik heb toch gezegd dat je weg moet gaan?”

Hij is boos en probeert mij te ontwijken. Snel springt hij uit bed en loopt naar zijn koffer die in een hoek staat. Het is een klein model. Hij had niet veel toen hij hier op Schiphol kwam. Een enkel shirt, een versleten broek en een paar verfrommelde foto’s van zijn ouders. Ook bewaart hij een paar stenen in zijn koffer. Zij hebben magische krachten voor hem en moesten meereizen vanuit het verre Jakarta.

Hij gaat op zijn knietjes voor het bed zitten en staart naar de afbeelding waar zijn moeder op staat. Hij kust de foto vol liefde en streelt de foto waarop zijn vader is te zien. Het zijn relikwieën uit een ver verleden dat hem achtervolgt en zo dicht bij staat als gisteren.

“Niemand houdt van mij. Jullie doen dit alleen maar omdat jullie mij zielig vinden.”

Ik leg mijn hand op zijn schouder en merk dat de kraag van zijn shirt vochtig geworden is door het huilen.

“Wij houden allemaal heel veel van je. Zeker Jeetje."

“Jeetje is de enige die van mij houdt. Hij is mijn broer.”

“Ik ben ook je broer en dat is Emmetje ook. Als je naar huis zou gaan dan zullen wij je zeker heel erg missen."

“Niemand zal mij missen en ik neem Jeetje mee.”

“Waarom wil je dan terug naar Indonesië?”

“Het is koud en iedereen is tegen mij.”

“Je mist je ouders?”

Ik raak een gevoelige snaar. Adjoe barst opnieuw in huilen uit en verstopt zijn hoofd tussen de dekens.

“Nee,” zegt hij heldhaftig maar zijn lichaam vertelt een ander verhaal.

Hij is eenzaam, op zoek naar geluk en naar zijn ouders die hij nooit meer kan vinden omdat ze lange tijd geleden van hem zijn heengegaan. Hij kan daar niet om liegen. Ik kan door zijn verdriet heen kijken omdat ik ook nog steeds naar mijn vader zoek. Mijn vader is even onbereikbaar als zijn ouders. Maar toch voel ik Pa elke dag om mij heen. Soms minder, soms meer. Maar ik weet dat hij er is om mij te beschermen. Adjoe staat het toe dat ik zijn gezicht raak om de naar beneden druppelende tranen te drogen.

Klein, lief manneke, zo ver van huis. Zoveel verdriet en zoveel verwarring.

“Ik denk ook nog vaak aan mijn vader,” probeer ik hem aan te zetten om te praten.

Hij reageert niet en pakt de stenen uit zijn koffertje. Het zijn er twee. Ze zijn mooi uitgesleten door de loop der jaren. Ze lijken op sierraden maar zijn slechts een goedkoop product van de natuur. Stenen zoals ze overal te vinden zijn. Maar voor hem hebben zij een ongekende waarde.

“Wat wil je met die stenen?”

Even lijkt het erop of Adjoe zijn tranen inhoudt. Hij kijkt mij bedenkelijk aan. Net alsof hij mij in vertrouwen wil nemen maar nog twijfelt.

“Heb jij ook een aandenken van je vader?,” vraagt hij.

“Zeker. Ik heb een ring en een horloge. Als ik die om doe dan denk ik dat ik in een tijdcapsule zit die mij kan meenemen naar mijn vader. Dan krijg ik ook het gevoel dat ik dichter bij hem ben.”

Adjoe kijkt langs mij heen. Hij denkt en plotseling pakt hij mijn hand en legt deze op de stenen.

“Dit zijn mijn Mama en Papa,” fluistert hij en kijkt mij angstig aan omdat hij verwacht dat ik het gek zal vinden.

“Die leven in die stenen?”

“Ja,” zegt hij plechtig. “Dat heeft de vader van het tehuis aan mij verteld.”

“Hij heeft gelijk, Adjoe. Mensen die overleden zijn kunnen overal wonen waar ze willen.”

Eindelijk zie ik een glimlach over zijn gezicht trekken. Hij is blij dat iemand het begrijpt.

“Leg je oor maar tegen de stenen aan dan kan je ze horen praten.”

Ik doe wat mij gevraagd wordt en ben verwonderd over de fantasie van Adjoe. Hij komt van zover maar lijkt in dit soort dingen toch heel sterk op mij. Iedereen zoekt zijn eigen weg in zijn verdriet maar soms liggen de wegen zo herkenbaar dicht bij elkaar.

“Je moeder zegt dat je je tranen moet drogen.”

“Ja? Zegt ze dat? Ik moet doen wat Mama zegt. Als ik dat niet doe dan wordt ze misschien boos en dan wil ze mij nooit meer zien.”

“Daar geloof ik niks van. Je moeder houdt van je waar je ook bent.”

“Echt waar?”

“Dat weet ik wel heel zeker. Mijn vader is precies hetzelfde. Hij zal ook nooit bij mij weg gaan.”

“Vind je het niet gek dat ik denk dat die stenen….”

“Nee, Adjoe. Dat vind ik niet gek. Als je goed luistert dan hoor je hun hart slaan. Luister maar.”

Ik geef hem de stenen en zie dat hij aandachtig luistert. Plotseling begint zijn gezicht te stralen.

“Ik hoor het ook. Mijn vader zegt dat ik bij jullie moet blijven omdat jullie goed voor mij zorgen.”

“Wij doen ons best, maar dan moet jij ook een beetje je best doen.”

“Ik ga nu weer opnieuw beginnen met mijn best te doen.”

“Je hoeft niet opnieuw te beginnen. Daar was je al een tijdje mee bezig. Iedereen hier houdt van je omdat je Adjoe bent en daarom willen wij je allemaal helpen.”

Hij kijkt mij aan en vliegt mij daarna om mijn nek. Hij legt zijn hoofdje op mijn schouders en begint erbarmelijk te huilen. Ik begrijp zijn verdriet, verwarring en eenzaamheid in dit vreemde land. Gelukkig bewaart hij de stenen dicht bij zich. Het verhaal dat Jeetje aan mij vertelde wordt mij nu ook duidelijk. Elke avond legt Adjoe zijn kostbaarste bezittingen onder zijn kussentje. Als het dan donker wordt is hij dicht bij ze en luistert naar de verhalen die zij te vertellen hebben.

Als de tranen weer wat gezakt zijn en Jeetje de kamer komt binnenstormen dan zie ik dat Ma in de deuropening heeft staan te kijken. Als ik voorbij loop voel ik dat ze mij bewonderend aankijkt. Ze legt haar hand op mijn schouder en ik stop even. We geven elkaar een knuffel. Daarna loop ik door omdat niemand mijn tranen mag zien. Adjoe heeft zijn gevecht en ik de mijne.

Op de achtergrond hoor ik een bal stuiteren. Jeetje en Adjoe spelen alweer. Het leven gaat door. Maar Robin? Wat doe jij met je verdriet?


Jatagan 19-02-2003

Alle teksten ressorteren onder Jatagan©copyright, tenzij anders is aangegeven. Niets van deze pagina mag elders worden geplaatst tenzij nadrukkelijke toestemming van de auteur is verleend. De teksten mogen ook niet gewijzigd, ingekort of verpersoonlijkt worden.

Jatagan

terug naar boven