Jatagan, tussen de appels ligt een Peertje
|
Hij zit voor me, Luuk. Ik heb hem een paar jaar niet gezien maar hij is niks veranderd. Dezelfde sliertige blonde lokken hangen nog steeds als een gordijntje voor zijn gezichtveld. De jongensachtige glimlach is nog steeds niet uitgedoofd en de pret in zijn ogen is nog altijd aanwezig. Hij lijkt amper gegroeid en is nog datzelfde kleine ondeugende ratje die zich niet bekommerd om wat hij zegt en wat hij doet. We zwijgen. In de stilte die valt kijkt hij me onderzoekend aan en ik kan raden dat zijn gedachten terug gaan naar vroeger. Op de lagere school lag de basis voor onze vriendschap. We zaten naast elkaar en klierden wat af om onze grenzen te verkennen. Melig, irritant en soms wel eens bij het criminele af als we ergens peertjes gingen jatten bij de tuinders achter de huizen. Maar we waren wél altijd vrolijk en zagen het schoolgaan niet als een last. We waren er graag. Bovenmeester Muis was onze grootste vriend maar ook onze grootste vijand. Hij had altijd een gepast antwoord op onze baldadigheden. Wanneer hij weer eens moest ingrijpen dan hoefde je niet bang te zijn voor de meetlat die naast het schoolbord hing. Hij sloeg nooit maar kon je voor de klas voor lul zetten. Met zijn grote knoestige handen trok hij je dan tegen zich aan en streek minutenlang door je haar. Ik hoor nog steeds zijn stem: "Ach knulletje, heb jij het vandaag zo moeilijk". Het was een diepe vernedering, zeker als de hele klas begon te bulderen van lachen. Toch hielden wij van meester Muis want hij stond altijd paraat als je problemen had. Slechts één keer heeft hij hardhandig moeten ingrijpen. Toen was hij echt boos. Dat was op die ene keer toen Luuk en ik verscholen lagen in de bosjes en de ramen van de school torpedeerden met appeltjes. Het was zo simpel om de glazen wand te raken. Bang, bang spatte het vruchtvlees uiteen. Bij de volgende inslag waren we minder gelukkig. De appel was harder dan de ruit en het glasgerinkel was tot ver in de omtrek te horen. De godsdienstleraar die op dat moment door de gang liep sprong van schrik twee meter omhoog en de lerares die net met een dienblad kwam aanlopen liet alle kopjes en schoteltjes vallen. We renden weg. Heel ver weg, om enkele straten verder op in een portiek te overleggen hoe we het probleem moesten oplossen. Het was gemakkelijk. We waren er van overtuigd dat niemand ons gezien had en we zouden terugkeren. Gewoon schijnheilig doen. Het mocht niet baten. Bij het hek stond bovenmeester Muis ons al op te wachten. Vol woedde had hij ons bij de bovenarm vastgegrepen. Wanneer hij boos was dan kon hij sterk zijn en het duurde nog enkele dagen voor dat de rode puntjes op mijn spierballen waren weggetrokken. Hij sleurde ons mee naar zijn kamer waar de godsdienstleraar ons wazig aankeek. Toen begrepen we niet waarom hij begon te huilen, maar het gaf ons een gevoel van macht. Misplaatste macht, want jaren later denk ik er nog steeds aan terug en heb ontstellend veel spijt. Maar nu is het te laat om ons te verontschuldigen. Luuk en ik kregen thuis een ontstellend pak slaag. One ouders besloten dat we niet meer met elkaar mochten omgaan. Toch heeft het tot aan het einde van de basisschool geduurd voordat we elkaar uit het oog verloren. "Ik mag hier toch zeker wel roken?" "Rook jij nog steeds?" "Yep", glimlachte hij "Dan ben je nog steeds een grote eikel. Je hebt astma. Roken is slecht voor je gezondheid" "Nou scheit", blokkeerde hij met één opmerking de voortzetting van dit onderwerp. Eigenlijk vond ik de geur van rook wel lekker ruiken. Het deed me aan mij AF denken. Die kon zo nu en dan een pijp op steken en dan was het hele huis binnen enkele seconden gevuld met een prettige toffee geur. Meestal was dat het signaal dat ik voor hem kon gaan zitten, tussen zijn benen in. Het contact was dan lekker warm en ik genoot als hij een arm om me heen sloeg. Vlak bij mijn oor hoorde ik hem dan op zijn pijp sabbelen en probeerde de rook te vangen die hij langs me heen blies. "Blijven zitten, jij", hield hij me terug. Er was geen ontsnapping mogelijk aan zijn greep.En eigenlijk wilde ik dat ook niet. Ik wilde liever zo lang mogelijk genieten van het knusse tegen elkaar aan zitten. Voorzichtig haalde ik mijn trui tussen mijn broekriem uit en legde zijn hand op mijn blote buik. Nu kon het spel pas echt beginnen. Ik wist dat hij zijn hand niet zou bewegen. Tenminste niet voordat ik hem uitdrukkelijk toestemming had gegeven. Ik besloot te wachten. "Heb je mij misschien wat te vragen?", vroeg hij ongeduldig. "Niet dat ik weet", plaagde ik terug met ingehouden lach. "Ik dacht het". "Nee hoor. Ik zou niet weten wat". "Nou, dan niet". De laatste opmerking had ietwat pissig geklonken maar we wisten beiden dat dit tot een vast ritueel behoorde. "Ok. Doe maar", proestte ik het uit. "Doe maar wat?" "Mijn buikkie masseren". "Vandaag niet zo'n zin in". "Ach toe", leunde ik achterover en sloeg mijn armen om zijn nek. "Voor straf zou ik eigenlijk je oor op moeten eten". Oei, dat was het summum van straf. Telkens als hij zachtjes in mijn oor beet kriebelde het over mijn hele lichaam. Net alsof er duizenden mieren over mijn buik tot aan mijn liesstreek liepen. Maar het was een verrukkelijk gevoel. Een zalige verslaving die alleen om meer vroeg. "Niet doen. Niet mijn oortje", schaterde ik het uit toen ik zijn lippen voelde vastzuigen aan mijn oorlelletje. Ik worstelde. Maar hij hield me stevig in een greep. "En nou je andere oortje". Het was te laat om mijn linker oor te bedekken met mijn hand. Het welbekende gnap, gnap geluid klonk als een feest in mijn oren. Hij hield van me, net zoals ik van hem hield. "Eigenlijk zou ik je helemaal willen opeten ". "Doe maar", antwoordde ik een stuk gewilliger. Enkele seconden later lag ik op mijn rug over zijn benen. Mijn trui had hij opgetrokken tot aan mijn borst en voorzichtig beet hij mij in mijn maagstreek. Het kriebelde. Er groeide verlangen. Maar nooit zou hij de grens van het toelaatbare overschrijden. Dat was pas een vriend. "Waar denk je aan?", sprak Luuk. "Oh, niks. Een beetje aan vroeger". "We hebben wel lol gehad hè?" "Zeker weten". "Kom jij nog steeds bij Peertje?". Ik knikte. Ik had mijn AF Peertje genoemd omdat ik hem ook een toffe peer vond. Die naam is hem altijd blijven achtervolgen. Nog steeds noem ik hem zo. "En jij? Zie je Chris nog wel eens?". Zijn ogen versomberden. Hij probeerde vergeefs zijn tranen weg te drukken. Ik voelde het aan, maar ik wilde dat hij het zelf vertelde. "Ruzie gehad?". Hij schudde zijn hoofd. "Weggestuurd?". Hij barstte uit in tranen. Ik liep naar hem toe en sloeg mijn armen om hem heen. Alle vrolijkheid was in hem verdwenen. Dit was de eerste keer dat ik hem zag huilen. "Kom, kom. Niet huilen. Zo erg kan het niet zijn". "Het is wél erg. Het is vreselijk", stamelde hij. Ik streek met mijn hand door zijn haren en voelde hij zijn lichaam schokte van verdriet. "Hij is dood. Goddomme hij is dood". Geschrokken liet ik hem los en keek hem aan: "Wat vertel je me nu. Is Chris overleden?" "Ja". "Jezus man, wat is dat erg voor je". "Wat is er dan in godsnaam gebeurd?". Luuk pakte een zakdoek en snoot zijn neus. Hij droogde zijn tranen en keek me aan. Zijn gezicht zat vol zwarte vegen en zijn ogen waren rood van het huilen. "Hij rookte zich een ongeluk en toen, en toen...", opnieuw welden er tranen op in zijn ogen. Een nieuwe huilbui diende zich aan. Met zijn hoofd tussen zijn handen snikte hij het opnieuw uit. "Was je erbij toen het gebeurde?". Hij knikte: "In het ziekenhuis. Alleen zijn moeder en ik waren er bij. Chris had verder geen vrienden".
"Hij was eenzaam, hè? Gelukkig had die jou nog". "Ja-h-ha", antwoordde Luuk gebroken. Ik ken Luuk nu al jaren. We waren bijna een tweeling. Vroeger deelden we alles in een onvoorwaardelijke vriendschap en kenden elkaar door en door. Toch was ik verrast door zijn verdriet. Hij kende zijn AF al vanaf de lagere school en eigenlijk had hij hem alleen maar makkelijk gevonden omdat hij geld van hem kreeg. Niet om te zwijgen, maar omdat Chris godsgruwelijk veel om hem gaf. Luuk zag dat aanvankelijk niet zo in. Toen we in de hoogste klas zaten was ik boos geworden op mijn vriend omdat hij die instelling had. We hadden zelfs gevochten. "Klootzak. Zie je dan niet dat Chris van je houdt". "Nou scheit", had hij met zijn bekende stopzinnetje geantwoord. "Die man doet alles voor je. Hij helpt je met je huiswerk. Hij wast je kleren. Helpt je met problemen en geeft je de warmte die je thuis mist. Hij is een vader voor je". Het was tegen dovemansoren. "Nou scheit", herhaalde Luuk. "Geld is toch ook belangrijk?". "Wat geld? Die man zorgt beter voor je dan je eigen vader. En jij houdt alleen maar om hem omdat hij je geld geeft". Luuk had ongeïnteresseerd zijn schouders opgehaald en ik was woest geworden om zijn kille houding. Ik had mijn vuisten gebald en was hem aangevlogen. Hij besodemieterde de boel en daar kon ik niet tegen. Het was niet zo moeilijk geweest om hem tegen de grond te werpen. Mijn vriend was een kop kleiner en minder sterk. Ik zat bovenop hem en hield zijn schouders tegen de grond. De modder van het grasveldje besmeurde zijn kleren en ik gaf hem een paar rake klappen in zijn gezicht. Het bloed spoot uit zijn neus. Een nieuw klap raakte zijn oog en Luuk kermde het uit. Hij stribbelde heftig tegen maar het duurde even voordat ik hem liet gaan. Ik keek hem na toen hij in het donker wegrende. Huilend, aangesproken en gekrenkt door een vriend. Daarna hebben we dagenlang niet met elkaar gesproken. Zwijgend zaten we naast elkaar in de schoolbanken. Totdat we weer ineens gingen spreken. Maar de oorzaak daarvan is mij niet meer bekend. De ruzie was in ieder geval beslecht en het was weer als vroeger. Dikke vrienden net als voorheen. "Hij heeft geld voor me nagelaten", sprak Luuk. "Dat wilde je toch? Of zie ik dat verkeerd?" "Ik had liever gehad dat hij langer bij me was gebleven. Geld is niks". Ik glimlachte. Hoe tijd mensen kan veranderen. "Ik mag het geld alleen besteden aan mijn studie. Hij wist dat ik het toch maar zou opmaken als ik het zo in mijn handen gestopt zou krijgen". "Hij kende je zeker". "Eerst niet, later wel". "Wat bedoel je daarmee?" "Dat ik van hem ben gaan houden". "Mooi. Maar heb je dat ook tegen hem gezegd?" "Ja". "Eén keer? Twee keer?" "Nee, ik heb het regelmatig tegen hem gezegd. Het is écht zo". Ik glimlachte. Daarna ging Luuk over op fluisteren. "Robin?" "Ja?" "Ik heb, ik heb". Ik zag dat hij het moeilijk had. "Ik heb zelfs gevraagd of hij op me wil letten op de plaats waar hij nu is". Hij wees voorzichtig naar boven. Ik was aangedaan. Ontroerd door zijn verhaal. Voor het eerste merkte ik dat ik geëmotioneerd was geraakt. "Dat is mooi", maakte ik mijn zin zo kort mogelijk. Spreken was moeilijk. "Ja", fluisterde hij zacht. "Chris zei dat het niet uitmaakte waar hij zou zijn. Hij zei dat hij altijd over me zou waken".
Minutenlang keken we elkaar zwijgend aan. De tijd balanceerde tussen verdriet en vreugde. Verdriet om de abrupt beëindigde vriendschap tussen Luuk en Chris. Vreugde om de opluchting die hij kennelijk gevonden had door er met mij over te praten. Vanaf dit moment waren we weer die tweeling van vroeger die lief en leed deelden. De onvoorwaardelijke vriendschap speelde weer op en ik dacht aan dat ene stukje kauwgom dat van mond tot mond ging om samen te genieten van de lekkernij. We waren nooit vies van elkaar geweest. Ook niet tijdens het stoeien dat uitliep op een vrijpartij. We kusten elkaar, streelden elkaar en experimenteerden. We waren hechte vrienden en dat zouden we altijd blijven. "Zullen we naar Peertje gaan?". Luuk keek verheugd. "Ja joh. Die heb ik al zo lang niet gezien". Enkele minuten later liepen we buiten. Mijn vriend huppelde opgelucht naast me en ik merkte dat hij me soms respectvol aankeek. Ik ontweek die blikken omdat ik er moeite mee had. Vroeger was het andersom en benijdde ik hem om zijn ondeugende streken. Hij was juist mijn voorbeeld, hoe ik zou willen zijn. Achteraf denk ik dat ik dezelfde ben gebleven en dat hij zich heeft aangepast. Toen we de kerk passeerde tikte hij me aan. "Robin?" "Ja? " "Hebben jij en Peertje het wel eens gedaan?". "Net zoveel keer als jij het met Chris hebt gedaan", glimlachte ik terug. Het was een antwoord dat eigenlijk nergens op sloeg. Het berustte op vermoedens. Maar het was voldoende om elkaar te begrijpen. In de volgende straat woonde Peertje. Ik belde aan en na de tweede maal werd er opengedaan. "Kijk nou eens", riep de man verheugd. "Je hebt Luuk meegenomen. Dat is lang geleden". We wandelden door de gang naar de tuin en namen plaats op het terras. De zon scheen helder en maakte ons dorstig. "Willen jullie wat drinken ?". "Geef mij maar een biertje", zei Luuk ad rem. Kennelijk had hij zich weer compleet hervonden. In ieder geval straalde hij weer het bekende macho gedrag uit. "Ojoo. Nog steeds dezelfde Luuk", lachte Peertje. "Je bent niks veranderd". "Toch wel", antwoordde ik en vertelde hem in grote lijnen het verhaal dat hij mij verteld had. Luuk zat er ogenschijnlijk onbewogen bij. "Je mag wel huilen hoor", sprak Peertje tegen hem. "Dat doe ik niet met vreemden erbij". "Gut gut. Ik ben toch geen vreemde meer voor je. Trouwens, waarom denk je dat Robin je naar mij toe heeft gebracht? Om over dit soort dingen te praten toch zeker?" Ik bewonderde Peertje omdat die de zaken altijd zo goed aanvoelde. Hij had gelijk. Alhoewel hij geen doden tot leven kon wekken wist ik dat mijn oudere vriend voor alles een oplossing had. "Weet je waar jij aan toe bent Luuk?" "Nou? " "Aan een lekkere stoeipartij. Kom mee dan gaan we naar de stoeikamer". De trap naar zijn slaapkamer had ik al ontelbare keren beklommen. Het was de weg naar de ivoren toren waar we ons beiden gelukkig konden voelen. Alhoewel de echte knuffelpartijen minder vaak voor kwamen vond ik het nog steeds fijn om na een flinke stoeipartij naast hem te liggen. Naar hem te kijken en dankbaar te zijn voor alles wat Peertje voor me had gedaan. Toen mijn vader was overleden was hij daarvoor in de plaats gekomen. Niet binnen het gezin maar als een extern verlengstuk. Moeder had het goedgevonden. Ze vroeg niks maar zal vast en zeker genoten hebben van de liefde die ik door hem kreeg toebedeeld. Niemand anders dan hij was in staat geweest om de vaderrol over te nemen. Niets kon hem meer ontroeren dan de keren dat ik hem aansprak als Papa of als Vader. Dan was hij geraakt en begon hij zachtjes te huilen. Op die momenten vonden we elkaar in volle tederheid. Tegen elkaar aan gedrukt, warmte uitstralend en waanzinnig verliefd op elkaar. We lieten elkaar dan niet eerder los voordat we vermoeid waren geraakt van het kussen. Daarna konden we heerlijk wegdromen in onze vriendschap. De stoeipartij was er één van niks. Het had heel kort geduurd en we lagen uit te rusten terwijl we eigenlijk niet moe waren. Peertje lag in het midden en Luuk en ik elk aan een kant. Hij had zijn armen gespreid en wij hadden onze hoofden op zijn schouders gelegd. Luuk en ik giechelden wat, maar Peertje was in volle rust. Net of hij een aantal dingen tegen elkaar afwoog. "Luuk?" "Ja?", antwoordde mijn vriend. "Wat zou je ervan zeggen als ik een klein beetje de plaats van Chris zou innemen?" "Dat kan toch niet? Er is op de hele wereld geen tweede Chris te vinden", antwoordde Luuk verbaast om het voorstel. "Bovendien zou hij het me kwalijk nemen als ik ineens een andere vriend heb. Net alsof ik hem vergeten ben". Een korte denkpauze viel. Peertje was goed in denken. Hij was wijs en het was altijd zinvol om naar zijn ideetjes te luisteren. "Zullen we het dan aan Chris gaan vragen?". Luuk veerde op. "Hoe kan dat nou. Hij is toch dood?" "Alles kan, jongen. Alles kan". "Ik zou jou wel als vriend willen hebben. Als Chris maar niet kwaad wordt. Hij waakt over me. Misschien laat hij me dan wel vallen". "Natuurlijk niet. Zullen we naar de begraafplaats gaan?".
"Hoezo? We kunnen het toch ook zo vragen?", ietwat angstig. "Kom. We nemen de auto, dan zijn we er zo". "En ik dan?", probeerde ik enige aandacht te krijgen. "Jij gaat lekker met mij en met je nieuwe broertje mee". Eigenlijk had Peertje gelijk. Luuk en ik waren in de loop der jaren zo met elkaar vergroeid dat we net op broertjes leken. Uiterlijk leken we ook sterk op elkaar en hadden dezelfde dingen meegemaakt. Ik snelde de trap af en pakte de autosleutels van de schoorsteenmantel. Ik mocht altijd starten. Tenminste, als ik als eerste bij de sleutels was. Even later gromde de motor van de auto en reden we naar de heilige begraafplaats. Luuk zat achter in en werd steeds stiller. Bij de ingang kochten we een grote bos bloemen en Peertje sloeg een arm om de schouder van Luuk. Hij was verdrietig en zijn lichaamstaal kon niet verhullen dat hij Chris waanzinnig miste. Grote tranen dropen langs zijn wangen. Tranen die ik zo graag zelf had willen wegpoetsen, maar ik wist dat Peertje daar veel beter in was. Een expert zelfs, ik was daar zeker van omdat ik zo vaak gehuild had om het gemis van mijn vader. Altijd was hij aanwezig om me te troosten. Nooit klopte ik vergeefs aan. Hij had geduld en gaf me warmte. Warmte die mijn vriend nu zeker nodig zou hebben. Ik gunde het hem. Het tweetal liep vooruit waardoor ik in de gelegenheid was rond me heen te kijken. Veel mensen vertelden dat begraafplaatsen iets lugubers hebben, maar ik vond ze mooi. Zo vredig. Met een rust en een bebossing die paradijselijk aandeed. Vogels kwetterden onverstoorbaar in de verte en de geluiden van de auto's op de aangrenzende rijksweg leken nauwelijks schade aan te brengen aan de stilte. Onaantastbaar was de rust en op de grafzerken las ik de namen van de mensen die hier een laatste onderkomen hadden gevonden. Hier ergens moesten ook familieleden liggen. Vergeten. Niet in gedachten, maar wel wat bezoek betreft. We hielden daarom niet minder van hen. Aan het eind van het laantje hielden we stil en Peertje duwde de bos bloemen in de handen van Luuk. Hij duwde hem vooruit waarop mijn vriend de laatste stappen alleen moest gaan. Het was triest en hij leek kleiner dan enkele uren daarvoor. Zijn schouders troosteloos naar beneden terwijl een lichte zomerbries met zijn haar speelde. Bedremmeld hield hij stil voor een graf en boog het hoofd. Seconden leken uren te duren.
"Vraag het dan", doorbrak ik de stilte. Hij legde de bloemen op de steen en knielde. Daarna vouwde hij zijn handen samen en richtte zijn hoofd naar de hemel. Zijn lange blonde lokken wapperden in de wind en zijn tranen raakten de grond. Elke traan kristal zuiver. Elke traan doordrenkt van vriendschap en verdriet om het verlies van een vriend. Ik probeerde mijn aandacht te verleggen maar moest steeds denken aan de woorden die Chris me ooit had toevertrouwd. In het begin wist hij het. Hij wist het gewoon dat Luuk van hem hield omdat hij hem geld toespeelde. We hadden daarover gesproken op het moment dat hij Luuk kwam ophalen en diep teleurgesteld was geraakt omdat hij er niet bleek te zijn. Luuk had hem gepasseerd omdat er ergens anders meer te verdienen was. Het was zo wonderbaarlijk dat dit zijn vriendschap niet doofde al stond hij wel op het punt om van hem te scheiden. Diep in Chris bleef hij in Luuk geloven en terecht. Uiteindelijk hadden zij elkaar toch gevonden. Wat zal Chris toen blij geweest zijn. Hier op de begraafplaats is hun vriendschap opnieuw tastbaar geworden. Hier kunnen woorden uitgesproken worden die voor iedereen verstaanbaar zijn. Woorden van begrip en liefde. Woorden van een lach en een traan. Woorden van een eeuwige vriendschap maar vooral woorden van wijsheid.
In de verte kwaakt een eend. We kijken allemaal op en lachen omdat het op een stom geluid lijkt. Het is niet zo. Het is een perfect getimede verstoring van de stilte. We zijn er dankbaar om. Peertje loopt op Luuk af die hem onmiddellijk in zijn armen vliegt. Hij legt zijn armen om hem heen en ze kroelen vol overgave. Zijn handen strijken door zijn vlasblonde haren en drukt Luuk zijn gezicht tegen zijn borst. Het is aandoenlijk om te zien hoe opgelucht mijn vriendje is. Hij strijkt zijn tranen weg en kijkt in mijn richting. Vragend kijkt hij me aan en loopt op me toe. Even blijven we recht voor elkaar staan en bewonderen elkaar. Daarna volt een innig omhelzing. "Wat zei die?", fluister ik in zijn oor. "Dat het goed was". "Wauw, heb je echt met Chris gesproken?" "Ja. Hij was blij". "Blij waarom?" "Omdat ik zulke fijne vrienden heb. En Peertje mag op me passen". Ik glimlach. Peertje is een wijs man. Hij wist gewoon dat dit zo zou uitwerken. "Maar hoe zit het nou met jou?" "Wat bedoel je?" "Nou. Peertje is natuurlijk jouw vriend. En nou knuffel ik ook met hem. Ben je dan niet jaloers?". Even weet ik niet wat ik moet zeggen. Eigenlijk had ik daar geen moment bij stil gestaan. Het verdriet van Luuk overschaduwde telkens mijn eigen gedachten. Maar het is goed. Waar Luuk en ik dezelfde kauwgum deelden moet ook plaats zijn voor eenzelfde vriend. Hij zal me beslist niet vergeten en aandacht blijven schenken. "Ik blijf natuurlijk wel zijn hoofdvriend", lach ik terug. "Maar wel eentje die er een flinke concurrent heeft bij gekregen". Luuk is weer ad rem, dat mag ik en enkele minuten later slenteren we langs de paden de begraafplaats af. We praten honderduit en genieten van de architectonische aanleg van de rustplaats. De trieste gebeurtenissen laten we achter. Chris heeft daar vrede mee en wij schikken ons tevreden in ons lot. Aan het eind van het laantje staat een bank. Peertje is de eerste die neerploft en wij volgen zijn voorbeeld. Elk aan een kant van hem. "Komend weekend heb ik een afspraak", zegt Peertje. "Dan moet ik weg". "Ahhhhhhhhh", roepen we beiden teleurgesteld. "We wilden net langs komen". "Dat gaat niet jongens. Ik heb een huisje gehuurd in Denderweide". "Je gaat toch niet met een vrouw?", reageer ik vol schrik. Peertje begint te lachen. "Nee hoor. Ik ga met twee vrienden". "Shit. Dan mogen we zeker niet mee". "Natuurlijk wel. Maar ik moet eerst vragen of ze goedvinden dat jullie ook komen". "Wie zijn het dan?", drein ik door. "Het zijn Luuk en Robin". Vertwijfeld kijken we elkaar aan en beginnen te schateren. Gefopt. "Als je straks thuis bent vraag je maar aan je ouders of je een weekendje weg mag". Bijna tegelijkertijd krijgt hij van Luuk en mij een kus op zijn wangen. Maar toch blijft hij mijn Peertje. Mijn eigen lieve wijze Peertje
Jatagan, 17-02-2002 Alle teksten ressorteren onder Jatagan©copyright, tenzij anders is aangegeven. Niets van deze pagina mag elders worden geplaatst tenzij nadrukkelijke toestemming van de auteur is verleend.De teksten mogen ook niet gewijzigd, ingekort of verpersoonlijkt worden.
|
|
Jatagan |