Verhalen

Jatagan, reisverslag 1 2 3 4 5 6 7 8

Twee kleine bedelaartjes

Jakarta is een grote stad, een vieze stad. De rook van huisvuilverbrandingen kriebelt 24 uur per dag in je neus en het versterkte geluid van een iman die zijn gezang over de stad uitspreid is soms hinderlijk aanwezig. Ruim tien miljoen mensen wonen op een oppervlakte die de grootte heeft van de provincie Utrecht. Het is druk, altijd druk.

Overal waar je heen gaat, daar krioelt het van personen die elk hun weg gaan. De één om inkopen te doen, de ander om ergens op visite te gaan en weer een ander om te bedelen. Veel mensen worden tot bedelen gedwongen omdat zij geen werk hebben en dus een vaste bron van inkomsten missen. Het leven is onzeker en als je met de auto een kruispunt nadert, en je hebt de pech dat je moet stoppen voor de stoplichten, dan springen de verkopers om de wagen heen. Het is geen uitzondering dat er tien mensen tegelijk staan te leuren met dingen die ze willen verkopen. Soms lijkt het of je door een drive-in warenhuis rijdt. Alles wat je maar kan bedenken wordt aangeboden. Kranten, ijsjes, speldjes, kaarten, tekeningen, luchtjes en eten zijn daaruit een greep. En voor wie geen goederen te koop heeft, verkoopt zichzelf.

Onder de verkopers zie je oude, afgetekende gezichten. Maar er zijn ook kindergezichten die je meteen vrolijk aanstaren als ze zien dat je naar hen kijkt. Maar de zorgelijke en trieste blik in hun ogen verraad hun dagelijkse, bijna wanhopige strijd om aan eten te komen.

Aan de achterkant van ons huis is een tuin met het zwembad. Daaromheen zijn muren gebouwd die bijna drie meter hoog zijn. Dit is om het voor de inbrekers wat lastiger te maken om binnen te komen en houd ook ongewenste badgasten buiten de deur. Als het huis niet bewoond is, lukt dat uitstekend maar als mijn ouders de stad in zijn en ik ben met mijn broertjes thuisgebleven dan lijkt ons zwembad even op Tropicana. Op uitnodiging van Emmetje en Jeetje zwermt de hele buurt uit en het maximaal aantal vriendjes dat binnen mag komen wordt dan natuurlijk ruimschoots overschreden. Niemand zegt daar wat van. Iedereen zwijgt want de pret mag niet bedorven worden. Tegen de tijd dat mijn ouders weer thuis worden verwacht zijn alle vriendjes weer verdwenen en is de boel netjes opgeruimd. Het is gezellig met al die maatjes om ons heen, maar toch zijn we blij als we met z'n allen op stap gaan naar een toeristische attractie en even de muren om ons heen kunnen vergeten.

Eén van de plaatsen waar we altijd even gaan kijken, als we in Jakarta zijn, is Taman Iman. Dit is een heel groot park waar alle oude bouwculturen van Indonesië bij elkaar zijn gebracht. De paalwoningen en de huizen met de 'kuifjes' op hun 'kop' zijn daarvan prachtige voorbeelden. Van elke eilandreeks zijn er één of meerdere replica's van deze bouwwerkjes te vinden. Natuurlijk nemen we elke keer weer mooie foto's. Wij doen dat nog met een ouderwetse kamera waar een filmrolletje in moet. Mijn stief ontdekte dat hij nog nieuwe rolletjes moest kopen. Gelukkig is er een fotohutje op de parkeerplaats van Taman Iman, maar was het stervensdruk van de toeristen. Voor de winkel stond een hele lange rij van mensen die allemaal nog 'iets' nodig hadden. Ma, stief en ik sloten aan in de rij, terwijl Em en Jeetje ergens aan het spelen waren.

Als je mijn broertjes los van elkaar meemaakt dan zijn het hele lieve mannetjes maar, zodra ze samen zijn, dan wil de één niet onder doen voor de andere. Meestal gaat dat wel goed, maar soms heeft Jeetje of Emmetje nog wel eens een fameus plannetje dat eigenlijk de grenzen van het toelaatbare overschrijdt. Ook dit keer hadden ze snel iets uitgebroed. Het was secondewerk geweest en daarom was het ook niet te voorzien wat ze zouden kunnen gaan doen nu er eventjes niet op hen gelet werd. Dan wordt tijdig ingrijpen wel heel erg lastig en moet je maar afwachten wat er gaat gebeuren. Mijn stief was de eerste die zich ongerust maakte omdat ze zo lang wegbleven. Hij vroeg ma om in de rij voor de winkel te blijven staan en stelde voor dat hij en ik op zoektocht zouden gaan.

Het duurde niet lang voor we ze hadden gevonden. Ze waren ergens in de hoek op de parkeerplaats en werden omringd door een groepje toeristen die waarschijnlijk net uit een bus waren gestapt. Kennelijk hadden mijn broertjes alle aandacht gekregen maar de mensen maakten al weer aanstalten om naar de richting van de kassa's bij de ingang te lopen. Nog voordat we op de plek waren aangekomen waar Emmetje en Jéétje hadden gestaan kwamen ze snel naar ons toe gelopen. Mijn jongste broertje had gehuild. Op zijn gezicht zaten zwarte vegen en zijn shirt was besmeurd met aarde. Ook Emmetje zag er niet helemaal 'fris' meer uit. Mijn stief was geschrokken en greep de kleinste bij zijn schouders.

"Wat is er in hemelsnaam met jullie gebeurd?", vroeg hij bezorgd.

"Oh. Niks", antwoordde de onschuld zelve.

Hij lachte alweer. Ontdeugend en zelfs weer een beetje uitdagend. Emmetje probeerde de blikken van zijn vader te ontwijken.

"Waarom heb je dan gehuild? En hoe komen jullie kleren dan zo vuil?"

"Hij heeft aarde op mij gesmeerd", wees Jeetje naar zijn broer.

"Waarom zou hij dat doen?"

Emmetje haalde zijn schouders op. Hij is een expert om de onschuld uit te hangen, maar op hetzelfde moment zag mijn stief dat het kruis van Emmetje zijn short bijna op zijn knieën hing. Het was niet moeilijk om in te schatten dat hij iets zwaars in zijn broekzakken had gestopt.

"Als je hebt gedaan wat ik denk dan ben je voorlopig nog niet jarig", brulde mijn stief die mijn broertje gebaarde om de inhoud van zijn zakken tevoorschijn te halen. Er kwam geld, geld en nog eens geld.

"Hoe verklaar je dit?"

"Eh, we hebben geld opgehaald om een stukje aan de reis mee te betalen. Wij hebben dit voor jou gedaan. Het leven is al zo duur".

"We hebben dat geld toch opgehaald om een cadeautje voor Robin zijn verjaardag te kunnen betalen?", sprak Jeetje hem tegen.

"Oh ja. Dát hadden we afgesproken".

Het valt niet mee om een man van middelbare leeftijd om de tuin te leiden. Mijn stief had al snel door dat de jongens een bedelaarsact hadden bedacht en zichzelf besmeurd hadden met klei om er zo armoedig mogelijk uit te zien.

"Wie is er met deze onzin begonnen?"

"Hij", wezen ze naar elkaar.

"Niet. Jij begon ineens tranen te maken", brulde Em.

"Dat moest toch van jou?", verdedigde Jeetje zich.

Zo gingen de beschuldigen een tijdje over en weer en uiteindelijk besloot mijn stief tot een Salomons oordeel: ze hadden elkaar aan de gang gebracht.

"De volgende keer dat ik dit zie, dan breng ik je naar de politie. Die weet wel raad met jullie".

Emmetje was niet écht onder de indruk. Hij blies wat tussen zijn lippen. Jeetje trok bleekjes weg.

"Gaat de politie je dan houden?", wilde hij weten.

"Die sluiten je op in een hok en je krijgt daar alleen maar ratten te eten".

Jeetje was onder de indruk en rende snel naar Ma toe die zich bij het gezelschap had gevoegd. Ze glimlachte en streek het kleine mannetje over zijn bolletje. Daarna vervolgden wij onze weg langs de pracht van bouwwerken en leek iedereen het bedelavontuur vergeten te zijn.

Totdat Jeetje na een paar uurtjes aan mijn arm trok en vroeg of ik wilde bukken zodat hij zachtjes in mijn oor kon fluisteren.

"Smaken ratten nou net zo als gestampte muizen?", vroeg hij beteuterd.

28-07-2002

Jatagan

Alle teksten ressorteren onder Jatagan©copyright, tenzij anders is aangegeven. Niets van deze pagina mag elders worden geplaatst tenzij nadrukkelijke toestemming van de auteur is verleend. De teksten mogen ook niet gewijzigd, ingekort of verpersoonlijkt worden.

Jatagan

terug naar boven