Jatagan, Peertje
|
Peertje en ik kenden elkaar nog niet zo lang. Ongeveer een jaar. Zonder dat ik het echt besefte was hij in die korte tijd heel belangrijk voor me geworden. Het was net of dat ik hem al heel lang kende. Hij wist alles over me te vertellen en ik luisterde graag naar zijn verhalen. Elke dag leerde ik van hem en vond het prettig als we gingen knuffelen. Ik kon écht genieten als hij zijn armen om me heen had geslagen en me raadseltjes ging opgeven. Stom, dat die vraagstukjes dan dagenlang in me bleven borrelen totdat ik ineens het antwoord wist. Dan rende ik zo snel mogelijk naar zijn huis. Trots, om hem te vertellen dat ik de oplossing gevonden had. Eens vertelde hij me het verhaal over een Opa die een heel mooi vestzakhorloge had. Hij had maar één kleinzoon die heel graag met dat uurwerk speelde. Elke keer als de jongen naar huis moest dan vroeg hij aan Opa wanneer hij het horloge mocht hebben. De oude man had steeds zijn hoofd geschud. "Daar ben je nu nog te jong voor. Misschien zal het stuk gaan. Je krijgt het pas als de tijd daarvoor rijp is." De tijd verstreek en elke keer vroeg de jongen hetzelfde aan de steeds ouder wordende man en telkens kreeg hij hetzelfde antwoord. Totdat het slecht ging met Opa en de kleinzoon afscheid moest nemen. Op het sterfbed vroeg de jongen opnieuw of hij het horloge mocht hebben. Maar Opa gaf ditmaal geen antwoord. Het antwoord kwam nooit meer. Op de begrafenis keek de familie naar de kist die klaar stond om in de aarde te worden opgenomen. Moeder keek naar haar huilende zoon en overhandigde hem datgene waar hij al die tijd zo naar verlangd had. Het horloge. De jongen pakte het uit zijn moeders handen en liep naar de kist. Hij knielde eerbiedig en legde het horloge op de deksel. Daarna draaide hij zich om en zei: "Het horloge is nu van mij en daarom geef ik het terug aan Opa. Het horloge zal met hem meereizen als een aandenken voor de tijd die we samen hebben gedeeld. Ik bewaar liever de herinneringen aan hem dan dat ik een horloge bewaar dat misschien kapot kan gaan." Nadat Peertje het verhaal had verteld werd het even stil. Ik wist dat mijn vriend vragen zou gaan stellen om te kijken of ik alles goed begrepen had. Door die vragen wist ik ook waarover ik moest gaan nadenken. Ditmaal was het een moeilijke opgave. "Vind je het een mooi verhaal?," had hij gevraagd. Ik knikte en sloeg mijn armen nog nadrukkelijker om hem heen om te laten merken dat ik zijn vertelsel waardeerde. "Heeft Opa iets fout gedaan met zijn kleinkind?" "Nee, dat geloof ik niet," overdacht ik de situatie terwijl ik diep nadacht. "Misschien had Opa er voor kunnen kiezen om het horloge te geven toen hij nog leefde." "Maar dan was het horloge misschien stuk gegaan. Dat zei Opa toch?" "Dat is dan een kwestie van vertrouwen. Als Opa voldoende vertrouwen had gesteld in zijn kleinzoon dan had hij het horloge gerust kunnen meegeven of misschien voor een tijdje kunnen uitlenen." Ik vond het helemaal niet leuk dat ik het antwoord op het raadsel al zo snel wist. Nu had ik niks om over na te denken. Peertje had er vast een andere bedoeling mee of er was nog een andere wijsheid aan vastgekoppeld. "Waarom vertel je me de oplossing al zo snel?" "Aha. Ik zie dat je teleurgesteld bent. Dat had ik wel verwacht. Eerlijk gezegd was het een inleiding tot iets anders dat ik je ga vertellen." "Ik wist het wel. Ik wist het wel," riep ik verheugd. "Wat wist je dan?" "Dat er nog meer zou komen." "Klopt. Ik ga je nu de sleutel van mijn huis geven." Ik keek hem verbaasd aan en herinnerde me dat ik vroeger wel eens gevraagd had om een sleutel. Hij had me toch verteld dat hij van me hield en me als een zoon beschouwde? Van thuis had ik ook een sleutel. Dus waarom niet van Peertjes huis? "Krijg ik die sleutel zomaar?" "Nou, niet zomaar," had hij gelachen. "Je moet er wel iets voor doen." "Wat dan?" "Ik moet een weekje voor de zaak naar het buitenland. In die tijd dat ik weg ben kan jij mooi voor de katten zorgen. Als dat goed gaat dan mag je de sleutel houden." "Dus die sleutel en dat horloge zijn hetzelfde?" "Slimmerik. Dat is inderdaad met elkaar te vergelijken. Je hebt hem door". De nacht voordat ik de eerste maal het huis van Peertje alleen zou gaan bezoeken droomde ik heftig. In die droom was het al donker en ik lag, gewapend met een grote dikke stok, verscholen achter de bank en luisterde aandachtig naar de geluiden. Ik kende ze allemaal, maar hield de adem in toe ik aan de deur hoorde morellen. Een sleutel schoof in het slot en deur ging langzaam open. Door de lichtval kon ik zien dat twee gemaskerde mannen de kamer binnen liepen en rondkeken of er iets aan waarde was mee te nemen. Ik sprong op en zwaaide woest met de stok om me heen. De dieven waren geschrokken en schreeuwden het uit van verwarring. Ik raakte hen en kermend van de pijn probeerden zij te ontvluchten. Dat lukte ze ook, maar ik had het huisje van Peertje beschermd. Zelfs met het risico voor eigen leven. Mijn vriend zou trots op me zijn. De sleutel die aan een touwtje om mijn nek hing was het kostbaarste wat ik op dat ogenblik bezat. Veel kostbaarder dan de schatten die ik in mijn broekzak bewaarde. Als mijn broek in de was ging legde moeder altijd mijn kleinoden op het bureau omdat ze wist dat deze spulletjes waarde voor me hadden. Meestal kwam mijn verzameling niet veel verder dan een paar goud gekleurde paperclipjes, knikkers, dopjes van pennen, kauwgom en voetbalplaatjes. Maar in mijn beleving voelde ik me daarmee een rijke jongen. Maar een huissleutel had echter een extra uitstraling. Ik had hem gekregen omdat Peertje me daarmee vertrouwde en dat was de grootste onderstreping van onze vriendschap Toen ik de deur opende kwamen ze al naar me toelopen: Pimpernel was de liefste van de twee. Peertje had die kater zo genoemd omdat de naam relateerde aan een rode kleur en het karakter van deze kleur kon weer verbonden worden aan een bepaalde felheid. In de praktijk viel er van dat laatste niet veel te merken. Pimpernel was eerder te omschrijven als een lief en aanhankelijk mannelijk beestje. Hij was mooi, een halve pers met lange haren en de tekening in zijn vacht was een verrukking om te zien. Snoepje had daarentegen een moederlijk karakter. Zij zocht voortdurend de warmte van een schoot en knorde er naar hartelust op los wanneer ze het naar haar zin had. Peertje grapte altijd dat dit de enige kat was die op een brommertje reed en hij stelde voor om Snoepje voor haar verjaardag een helm te geven. Wat mezelf betreft kon ik er niet over uitgeprakkiseerd raken waar het geluid van het spinnen nou vandaan zou moeten komen. Als ik mijn oor op haar buikje legde kon ik constateren dat het ergens diep in het binnenste moest ontstaan. Maar ik ben er nooit achter gekomen waar de oorsprong van dat bromgeluidje lag. Snel verschoonde ik de kattenbak en vulde de etensbakken met water en brokken. Pimpernel en Snoepje hadden meer aandacht voor het blikje kattenvoer. De lucht was voor hen onweerstaanbaar en ze begonnen al met eten voordat ik het goed en wel op het schoteltje had gelegd. Telkens duwde ik ze weg, maar ze kwamen even snel weer terug. We maakten er een spelletje van en ze achtervolgden mij door de hele keuken omdat ik met het schoteltje in mijn hand liep. Dan zette ik het neer en begonnen zij aan een heerlijke maaltijd. Terwijl ze aan het eten waren aaide ik ze. Verderop stond een grote kartonnen doos die als slaapplaats fungeerde. Meestal lag er een dekentje in en ik besloot om deze glad te trekken. Toen zag ik het voor het eerst. Een klein, minuscuul katje lag er vredig te slapen. Een nieuwkomertje met een zelfde rode vacht als Pimpernel. Peertje had er niks van gezegd dat Snoepje zwanger was geweest. We hadden het ook niet gezien. Ik tilde het beestje op en drukte het warme propje zachtjes tegen mijn wang. Snoepje gaf me zachtjes strelingen met haar kopje en zag er gelukkiger uit dan ooit. De bel ging. Toen ik opendeed stonden er twee jongens aan de deur. Luuk en nog een jongen die ik niet kende. Beiden lachten ze vrolijk en Luuk stapte gelijk naar binnen. "Ik wist wel dat ik je hier kon vinden." "Niet zo moeilijk. Dat had ik je toch verteld? Wie is die jongen?" "Oh. Dat is mijn neefje. Hij heet Richard en logeert dit weekend bij ons." "Ik weet niet of dat wel mag van Peertje." "Wat?" "Dat ik een vreemde jongen binnen laat." "Ach, man. Dat kan toch geen kwaad. Peertje ziet er toch niks van." "Ja. Misschien. Als je hem maar niet vertelt dat ik je heb binnen gelaten." "Natuurlijk niet." We liepen naar de keuken en ik liet ze de nieuwkomer zien. Even deed het beestje zijn ogen open en zagen wij dat hij een beetje scheel was. "We moeten een naam voor hem verzinnen," opperde ik. "Ik weet er wel eentje," lachte Luuk. "Hoe dan?" "We gaan hem Peertje noemen." "Waarom Peertje?" "Nou, deze kat heeft ook een brilletje nodig. Net als jouw Peertje." Ik twijfelde maar vond het toch een leuk idee. Peertje zou wel kunnen lachen om die naam als hij weer zou thuiskomen. Luuk pakte een glas en vulde deze met een klein laagje water. Daarna sprenkelde hij een paar druppeltjes op het hoofdje van de kat. "In de naam des Heren en Christus, zijn heilig zoon noemen wij U Peertje." Daarmee was de plechtigheid afgesloten. We sloten de spelcomputer aan en speelden het volgende uur Fifa waarna ik op mijn klok keek. Tijd om naar huis te gaan. De eerstvolgende dagen had Peertje nog een aantal keren gebeld om te weten hoe het met de katten ging en was verheugd dat ik hem vertelde dat er een klein katje was bijgekomen. Hij lachte onophoudelijk om de naam Peertje, waarbij ik verzweeg dat die naam door Luuk verzonnen was. Liever had ik dat hij niet wist dat er andere jongens bij hem waren binnen geweest. Op de dag dat hij thuiskwam had ik nog eens extra gestofzuigd. Ik had alle beeldjes opgewreven en de vaat was weg gewerkt. Alles blonk als nooit tevoren en toen ik de deur hoorde gaan zette ik snel ons favoriete muziekje op. Ik wilde dat hij trots op me was en dat ik blijvend zou worden ingedeeld in de orde van sleuteldragers. De deur zwaaide open en ik liep snel naar hem toe. Nog voordat hij de koffer had kunnen neerzetten sprong ik in zijn armen en gaf hem een kus op zijn wang. "Ik heb je waanzinnig gemist, Robin," knuffelde hij me. "Ik jou ook," gaf ik toe en liet me weer op de grond zakken. Ik pakte zijn hand, begeleidde hem naar de keuken en liet hem vol trots ons nieuwe Peertje zien. We lachten alle twee toen hij het beestje ons scheel aankeek. Het was een komisch gezicht en mijn vriend was op slag verliefd. "Ik ga even andere kleren aantrekken. Daarna heb ik een cadeau voor je." "Oké. Dan ga ik nog even met de katten spelen." Na een klein kwartiertje was hij terug. Zijn gezicht stond somber en hij hield zijn hoofd tussen zijn handen. Ik zweeg. Een plotselinge spanning was voelbaar waardoor ik merkte dat er iets fout zat. "Voel je jezelf niet lekker?," vroeg ik. Hij schudde zijn hoofd. "Dat is het niet, Robin. Het is... het is.. Ik denk dat we eens met elkaar moeten praten." "Wat is er dan? Je kijkt ineens zo serieus." "Robin. Het geld dat ik in de slaapkamer heb gelegd is verdwenen." "Ik ben niet eens in de slaapkamer geweest." "Toch wel. Het geld kan niet zomaar ineens verdwijnen." "Je denkt toch niet... je denkt toch niet." Hij knikte met zijn hoofd. "Wie anders?" De wereld stortte voor me in. Mijn vriend, mijn beste vriend verdacht me er van dat ik geld had weggenomen. Ik zou zoiets nooit doen. Ik stond als aan de grond genageld en zocht naar woorden. "Ik ben teleurgesteld in je. Geef me de sleutel maar terug dan kan je naar huis." "Maar ik heb niets gedaan. Eerlijk niet. Ik ben het niet geweest. Echt niet. Ik zweer het." De tranen kwamen in mijn ogen en ik voelde de onmacht. Hij zou me nooit geloven. Besefte hij dan niet dat ik liever een arm of been was kwijtgeraakt dan onze vriendschap? Peertje was de belangrijkste vriend in mijn leven. Zonder hem zou het leven nooit meer hetzelfde zijn. In godsnaam, bij wie zou ik nu moeten aankloppen? Ik huilde en probeerde me tegen hem aan te drukken, maar hij duwde me weg. Ik voelde me verdrietig en eenzaam. Afgewezen door een vriend die ik zo ontstellend hard nodig had. "Ga maar, " sprak hij. "Wanneer mag ik weer terugkomen?" "Niet meer," sprak hij somber en ik zag aan zijn gezicht dat hij het meende."Wees maar blij dat ik het niet aan de politie zal melden." "Waarom politie? Ik ben onschuldig. Echt onschuldig," probeerde ik vergeefs. Met mijn handen diep in mijn zakken weggestoken liep ik door de straat en trapte keihard tegen een stoeprand. Het deed onmetelijk veel pijn, maar dat kon me niet schelen. Het deed in ieder geval minder zeer dan de onverdraaglijke pijn die ik in mijn hart voelde. Wat zou ik thuis moeten vertellen? Ma zou me zeker veroordelen en straffen om iets dat ik niet gedaan had. Op school zouden ze mij uitjouwen en me uitmaken voor een dief. Misschien zou het hen verboden worden om nog met me te spelen. Kon ik maar doodgaan. Het liefst vandaag nog of op dit ogenblik. Niemand zou daarom toch treuren? Ik huilde maar er was niemand die mijn tranen zag. En bij de persoon die wist dat ik huilde kon ik ook niet meer terecht. Ik was nog eventjes thuis geweest en had eerst gezwegen. Ma had natuurlijk direct gezien dat er iets niet klopte en zij stelde voorzichtig vragen. Vragen die nog meer pijn deden omdat ze nergens betrekking op hadden. In ieder geval niet op mijn probleem. "Heb je soms ruzie gemaakt met Peertje?" "Ja." "Heb je iets stuk gemaakt in zijn huis?" "Nee." "Heeft Peertje dan dingen met je gedaan die je niet leuk vindt om te doen?" Ik haatte de laatste vraag die ze wel eens eerder had gesteld. Alles wat Peertje met me deed was leuk geweest. Nooit had hij iets gedaan waarvan ik zou kunnen denken dat het slecht was. Hij was mijn vriend. Ik zou voor hem willen sterven. Ik zou alles willen doen om het weer goed te maken. Opnieuw schoten tranen in mijn ogen. "Is het dan zo erg dat je het niet aan je moeder kan vertellen?" "Nee. Nooit zal ik het vertellen. Nooit. Hoor je?," schreeuwde ik het uit en pakte het bord van de tafel. Het eten vloog door de keuken en het bord klapte tegen de grond. Moeder en ik keken elkaar geschrokken aan. Die uitbarsting van emoties hadden we beiden niet verwacht. Maar het zat me zo hoog, zo verschrikkelijk hoog. Even voelde ik hoe haar hand door mijn haar woelde. "Jochie toch." "Laat me gaan. Laat me gaan. Ik wil weg. Ik wil dood. Ik wil hier niet meer zijn." Ik schopte en duwde moeder opzij. Ik rende naar de deur die ik door de zenuwen niet direct kon open krijgen. "Robin, wacht." "Sodemieter op. Je bent mijn moeder niet meer. Je wilt geen dief als zoon." Mijn verdriet was onbedwingbaar. Maar ook mijn haat. Haat die ik voelde naar Luuk. Hij had natuurlijk het geld gestolen of dat maffe neefje van hem. Ik balde mijn vuisten en liep naar de straat toe waar hij woonde. Ik zou hem wel ergens kunnen vinden op het pleintje waar hij altijd was. Al zou het me dagen kosten om hem te vinden. De waarheid moest boven tafel komen. Toen hij mij zag komen aanlopen lachte hij. Verderfelijk en spottend alsof hij wist wat er zou gaan komen. Zijn houding was er eerder eentje van minachting dan van vriendschap. Veel kans om te ontsnappen had hij niet want ik wierp me gelijk boven op hem. "Wat heb je gedaan, klootzak? Je hebt gestolen bij Peertje. Nou denkt hij dat ik het ben geweest. Kom hier met die centen." Luuk weerde mijn eerste slagen af maar kon niet voorkomen dat ik hem vol op zijn gezicht raakte. Hij stamelde, probeerde te praten maar mijn woede liet dat niet toe. Ik raakte hem diverse malen totdat ik opnieuw overmand werd door verdriet en begon te huilen. Even later voelde ik de arm van Luuk om me heen. Ik wilde er niets van weten, maar hij hield aan. "Het is Richard geweest." "Nou, ga het geld dan terughalen." "Dat kan niet." "Wat dan? Is het geld dan al op?" "Dat ook. Maar Richard woont in een pleeggezin. Als ze weten dat hij het geld heeft gestolen dan moet hij weer terug naar het tehuis." "Nou. Goed voor hem. Door zijn schuld ben ik een dief. Ik mag nooit meer bij Peertje komen. Weet je wel hoe erg dat is?" "Misschien kunnen we samen een krantenwijk nemen. Dan kan ik je helpen." Luuk had nog nooit een goed idee gehad. Maar dit stond me wel aan. "Maar als we hem het geld terugbetalen dan denkt hij zeker dat we het hebben gedaan." "Misschien wel. Maar dan heb je in ieder geval je best gedaan. Dat zal hij ook waarderen." Ik haalde mijn schouders op besefte dat het laat was geworden. De duisternis was al ingetreden en als de straatverlichting aanging moest ik thuis komen. Ik durfde niet meer omdat ik wist dat ik lelijk had gedaan tegen ma. Het leek erop dat ik de hele wereld verloren had. Vroeger kon ik raad vragen aan Peertje maar... De uren verstreken en ik liep maar wat doelloos rond. Inmiddels was het gaan regenen en ik vloekte tegen de donkere hemel die zijn verdriet over mij uitstortte. Mijn kleren waren doorweekt en ik stampte door de plassen omdat het me allemaal geen mallemoer meer kon schelen. Het water spatte op tegen de binnenkant van mijn benen maar het drong nauwelijks tot me door. Het leven was niks. Ik had er aan geproefd maar het stelde niks voor. Er was ook niks meer om voor verder te leven. De woedde van Peertje en de boosheid van moeder stonden als een tatoeage op mijn rug. Iedereen zou me herkennen. In een grote plas knielde ik. Mijn knieën waren volledig onder water en met mijn vuisten plensde ik boos in de plas. Ik bezeerde mijn knokkels aan de grond en zag hoe ze begonnen te bloeden. Daarna boog ik het hoofd en huilde. Hoe zou ik dit probleem moeten oplossen? Plotseling voelde ik een hand op mijn schouder. Ik had geen zin om op te kijken, maar toen ik de stem van moeder hoorde scheurde mijn hartje open. Ik drukte me tegen haar en koesterde me in haar armen terwijl ik mijn tranen de vrije loop liet. "Waar blijf je nou toch jongen? Het is al 11 uur en ik heb je overal gezocht." "Mama, mama. Ik heb lelijk tegen je gedaan." "Geeft niet jongen. Daar komen we wel uit. Vertrouw maar op mij." Ze sloeg haar jas om me heen en ik voelde voor het eerst hoe koud ik het had gekregen. Ik rilde over mijn hele lijf maar was dankbaar dat moeder me niet had afgewezen. Ik had erger verdiend en zou elke straf accepteren die ze mij zou opleggen. "Ik heb Peertje gebeld. Hij heeft me het verhaal verteld." Ik huiverde. "Peertje is boos." "Dat is hij zeker. Heb jij het geld weggenomen?" "Echt niet ma. Geloof me. Ik heb het niet gedaan." "Ik geloof je. Maar wie heeft het dan wel gedaan?" "Dat kan ik niet zeggen. Als ik het zeg dan moet de jongen die het gedaan heeft naar een tehuis." "Dat is een goede reden om het niet te vertellen. Maar je moet ook aan jezelf denken." "Ik kan het écht niet vertellen ma. Echt niet." "Dan hebben we het er nog wel later over. We gaan nu naar huis." Die avond viel ik meteen als een blok in slaap. Ik was oververmoeid. Ik droomde niet, maar voelde de warmte van het dekbed als een dikke beschermlaag om me heen. Liever was ik daar nooit meer onder vandaan gekomen. Misschien omdat ik me schaamde om de wereld de volgende dag weer te begroeten. Maar ook omdat ik Peertje waanzinnig mistte. Moeder had Luuk gelijk gegeven en de volgende dagen deden we samen een krantenwijk. Alhoewel hij kennelijk geen schuld had aan de vermissing van het geld deed hij toch zijn uiterste best om me te helpen. Ik waardeerde zijn hulp en gaf hem spontaan een kus toen hij zijn gedeelte van het weeksalaris in mijn handen legde. Het was ons eerst verdiende geld maar nog lang niet genoeg om de schuld bij Peertje in te lossen. Ik stak het in mijn achterzak en maakte het knoopje vast waardoor ik het niet zou kunnen verliezen. Daarna gingen we beiden naar school. De les was saai. Geen moment had ik mijn gedachten bij de les omdat ik telkens oplossing probeerde te verzinnen om het goed te maken met Peertje. Al enkele keren had de onderwijzeres op mijn lessenaar getikt maar telkens verzonk ik weer in gedachten. De eerste cijfers die ik had gehaald na de tragedie waren niet best geweest. Maar ik had besloten om beter mijn best te gaan doen de problemen waren opgelost. Plotseling zwaaide de deur van de klas open en in de opening stond het schoolhoofd met een politieagent. "Waar is Robin?", keek hij rond. Ik probeerde me zo klein mogelijk te maken maar besefte dat dit niet hielp. Alle ogen waren op mij gericht. Er was geen ontkomen aan. Dit was de definitieve nekslag. Peertje zou vast de politie hebben ingelicht en dan wachtte me een celstraf. Een oplossing was niet meer mogelijk. Ik zou dit moeten ondergaan. Nooit meer Peertje, nooit meer mama. Nu zouden ze me nooit meer willen zien. Gewillig stond ik op. Het kon me niks meer schelen. Gebogen liep ik op de agent toe die me stevig bij mijn nek pakte. "Zo jongeman. Ga jij maar met mij mee dan gaan we eens wat zaken oplossen." "Peertje?" "Ja. Er is inderdaad iemand op het bureau die zo heet." Voor het schoolplein stond een grote politieauto. Ik durfde niet meer om te kijken maar voelde hoe de blik van tientallen paren ogen in mijn rug prikten. Ik was gebrandmerkt. Terwijl ik instapte trok ik de kraag van mijn jasje hoog op. Ik wilde door niemand gezien worden. Niet dat ik verwachtte dat ik ooit nog zou kunnen terugkeren in deze buurt, maar uit schaamte. Tijdens de rit had de agent op de bijrijders zit me enkele keren aangekeken. Hij lachte. Waarschijnlijk meer uit een gevoel van macht dan uit medelijden. De enige politieman die ik kende was een wijkagent en die was wel vriendelijk. Natuurlijk moest je uitkijken wat je aan hem vertelde, maar hij was redelijk. Deze agent kende ik niet. Op de binnenplaats van het bureau gekomen moest ik uitstappen en werd door een gang naar binnen geleid. Daar moest ik wachten in een hokje waarvan de deur werd afgesloten. Allemaal gladde tegels aan de muur en een glazen deur waardoor je naar buiten kon kijken. Het duurde niet lang voordat ik werd opgehaald. De gang naar het kantoor waar we moesten wezen leek eindeloos lang. Ik verafschuwde Peertje. Die had natuurlijk aangifte gedaan. De deur zwaaide open en voor me zat een dikke politieman achter een bureau. Hij was in uniform gekleed maar zijn pet hing aan de kapstok. Voor het bureau zat Peertje die me vrolijk aankeek. Ik probeerde zijn blikken te ontwijken door het hoofd te buigen. "Dus jij bent Robin?", bulderde de stem van de agent angstaanjagend. Ik kroop in elkaar en besefte dat het leven hier zou eindigen. Misschien dat het zou helpen als ik het kleine beetje geld dat ik al verdiend had op tafel zou leggen. Ik maakte het knoopje van mijn broekzakje open en pakte het geld in mijn handen. "Ik heb het gedaan. Maar ik ben gaan werken om het terug te betalen," beschermde ik Richard. "Wat heb jij dan gedaan?," wilde de agent weten. "Nou. Ik heb gestolen. Het spijt me. Ik wil er alles aan doen om het goed te maken. Alles" "Snapt U het nog meneer Peertje? Nu hebben we ineens twee diefjes." "Jawel. Hij probeert die andere jongen in bescherming te nemen." "Luister eens hier, Robin. We hebben vannacht een kereltje opgepakt die aan inbreken was. Een zekere Richard. Ken je die?" "Ja, eh... nee. Ik bedoel..." "Oké. Die Richard heeft alles bekend. Hij heeft ook opgebiecht dat hij geld heeft weggenomen bij meneer Peertje." "Dus ik ben niet meer schuldig?" 'Nee. Dat denk ik niet. Of jij moet de schuld op je willen nemen?" Ik keek Peertje aan. Hij was zo dicht bij me dat ik hem zo kon aanraken. Ik wilde hem aanraken. Mijn God, wat had ik hem gemist. Ik wilde hem in zijn armen vliegen en hem kussen. Mijn vriend. Mijn grote steun en toeverlaat. Maar ik durfde niet dichterbij te komen. Ik was bang dat hij nog kwaad zou zijn dat ik de jongens had binnengelaten. Peertje wenkte. "Kom hier diefje. Dan krijg je een knuffel." Alsof ik een projectiel was die door een katapult werd afgeschoten rende ik naar hem toe. Ik was zo waanzinnig blij dat alles weer was opgelost dat ik het laatste stukje sprong. Peertje tuimelde bijna achterover maar godzijdank was ik recht in zijn armen gekomen, met onze hoofden dicht tegen elkaar. Eindelijk rook ik weer zijn lucht. Die geur van die zalige aftershave die bij hem hoorde. Het was allemaal zo vertrouwd. Ik was weer thuis. Ik huilde. Mijn God, ik huilde waanzinnig. Alle spanning leek zich op dat moment te ontladen. Ik kuste hem op alle plaatsen die ik maar kon vinden. Op zijn wang, in zijn nek op zijn voorhoofd en op zijn neus. Ondertussen streelde hij troostend mijn rug en kuste me terug. "Ik heb je zo erg gemist." "Ik jou ook." We keken elkaar een moment vol trots aan en ik zag dat ook hij huilde. Maar deze tranen deden geen zeer. Dit waren tranen van hereniging. Dit waren tranen van geluk. Dit waren tranen van vrienden die van elkaar hielden. "Ik heb nog wat voor je meegenomen." "Je hoeft toch niks voor me mee te nemen." "Toch wel, want je verdient het." Hij zette me neer op de grond en haalde iets uit zijn zak. Omdat hij zijn hand dichthield kon ik niet zien wat het was. Pas toen ik het in mijn eigen hand voelde wist ik het. De sleutel, de sleutel van het huis. Ditmaal zou ik voorgoed toetreden tot de orde van de sleutelbewaarders van het huis. Dat zou ik me nooit meer laten afpakken. "Kom hier, snotteraar," drukte hij mij opnieuw tegen hem aan. "Ik heb nog wat voor je." "Nog meer?" "Ja. Het cadeautje dat ik op zakenreis voor je gekocht heb." Snel verscheurde ik van het pakje. Mijn verbazing was groot. Wauw, een gameboy. Die had ik altijd al zo graag willen hebben. Dit was mijn grote hartenwens, maar viel toch in het niets vergeleken met de vriendschap die ik weer hervonden had. "Peertje?" "Ja." "Als Richard nou niks had bekend. Wat dan?" "Ik had me voorgenomen om je dit weekend weer op te halen. Ik lieg niet, vraag dat maar aan je moeder." "Wauw. Dus ik mag dit weekend weer bij je komen logeren?" "Als je niet de hele dag met je gameboy gaat spelen dan ben je van harte welkom. Tenminste, als je dat nog wilt want je hebt een goede reden om kwaad op me te zijn." "Natuurlijk wil ik komen logeren. Alles is toch net weer zoals vroeger?" "Misschien wel beter, want onze vriendschap is hierdoor alleen maar hechter geworden." "En krijg ik dan ook weer raadseltjes op?" "Net zoveel als je wilt." De agent die het tafereel stilzwijgend had aangekeken doorbrak het gesprek met een luide kuch. "Als jullie nieuwe raadseltjes gaan maken dan doen jullie dat maar buiten. In ieder geval heb ik dit raadsel naar de tevredenheid van alle partijen opgelost en ik wil niet dat jullie nieuwe raadsels voor mij gaan verzinnen." Hand in hand liepen we door de gang. Mijn dag kon niet meer stuk. Halverwege hielden we stil en keek ik mijn vriend vol trots aan. "Peertje?" "Ja, Robin?" "Nu gaan we nooit meer uit elkaar, hè?" "Nee, Robin. Dat beloof ik. We blijven bij elkaar tot de dood ons zal scheiden. En dat zal nog heel lang gaan duren." "En nu wil ik een raadseltje horen." Lachend liepen we naar buiten. De rest van de dag heb ik gespijbeld. Jatagan, 22-03-2002 Alle teksten ressorteren onder Jatagan©copyright, tenzij anders is aangegeven. Niets van deze pagina mag elders worden geplaatst tenzij nadrukkelijke toestemming van de auteur is verleend.De teksten mogen ook niet gewijzigd, ingekort of verpersoonlijkt worden.
|
|
Jatagan |